24 feb 2021

De lasten in balans na de financiële doordecentralisatie beschermd wonen

Sommige regio’s in Nederland zijn onevenredig belast met voorzieningen voor beschermd wonen. De doordecentralisatie van financiële middelen, taken en verantwoordelijkheden moet deze last weer in balans brengen. Hoe? Daar gaan we in dit artikel nader op in.

In het artikel Zelfstandigheid inwoner voorop bij doordecentralisatie van beschermd wonen naar beschermd thuis hebben we de achtergrond van de doordecentralisatie beschreven en de opgaven geduid die hiermee gepaard gaan. Ook zijn we ingegaan op de historische ontwikkeling van beschermd wonen. Die heeft er namelijk voor een groot deel toe geleid dat sommige regio’s in ons land onevenredig zijn belast met voorzieningen voor beschermd wonen. De doordecentralisatie van financiële middelen, taken en verantwoordelijkheden moet deze last weer in balans brengen.

Historische verdeling van financiële middelen

Met de decentralisatie van het sociaal domein in 2015 zijn ook de financiële middelen overgegaan naar de gemeenten. Hiervoor heeft het Rijk in 2015 een ‘foto’ gemaakt van de situatie van beschermd wonen – voorzieningen en cliënten – op dat moment. Op basis van die foto is het budget vastgesteld. Ditzelfde budget is vervolgens jaarlijks via de centrumgemeenten uitgekeerd aan de gemeenten. Dit model kennen we als het historische financieel verdeelmodel.

Een van de gevolgen van deze manier van financieren is dat de aanwezige voorzieningen overeind blijven. Tegelijkertijd worden steeds meer cliënten naar deze gemeenten doorverwezen. Daarbij stromen cliënten vaak ook uit in deze gemeenten. Dit betekent dat deze gemeenten ook verantwoordelijk worden voor woonruimte en ambulante begeleiding vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Doordecentralisatie: een complexe puzzel

De doordecentralisatie, die op 1 januari 2022 in werking zal treden, moet de verhoudingen weer in balans brengen. Het eerste jaar, 2022, geldt als nul-jaar, wat betekent dat er nog geen financiële veranderingen plaatsvinden. Vanaf 1 januari 2023 wordt het rijksbudget echter – met een ingroeipad van tien jaar – verdeeld door middel van een nieuw objectief financieel verdeelmodel. Tegelijkertijd worden – met een ingroeipad van zeven jaar – de financiële middelen herverdeeld naar alle individuele gemeenten. Een complexe puzzel, waarbij vier ontwikkelingen van belang zijn. Deze ontwikkelingen lichten we hieronder nader toe.

1. Openstelling van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor ggz-cliënten

Voor mensen die als gevolg van een psychische kwetsbaarheid blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24-uurs zorg in nabijheid, is op 1 januari 2021 de Wet langdurige zorg (Wlz) opengesteld. Ongeveer 30 procent van de huidige cliënten in beschermd wonen zijn hiervoor in aanmerking gekomen, maar in sommige regio’s is dit opgelopen tot 40 procent of meer. Met de overgang van cliënten van de Wmo naar de Wlz wordt ook het zorgbudget van deze cliënten overgeheveld van de Wmo naar de Wlz.

2. Invoering van een nieuw objectief financieel verdeelmodel voor beschermd wonen

Op 1 januari 2023 wordt er een nieuw verdeelmodel voor beschermd wonen ingevoerd. Kern daarvan is dat het budget niet langer op basis van historische gegevens wordt verdeeld, maar op basis van objectieve gegevens. Hierbij wordt gekeken naar de demografische samenstelling van de gemeente, aangevuld met de aanwezigheid van zogenaamde risicofactoren. Deze gegevens bepalen samen – op basis van een nog vast te stellen verdeelsleutel – hoeveel budget er naar elke afzonderlijke gemeente gaat.

Inmiddels heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) het  voorstel voor het nieuwe verdeelmodel (als bijzonder onderdeel binnen de herijking van het gemeentefonds) ter consultatie aan de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB) voorgelegd en daarmee zijn ook de voorlopige uitkomsten per gemeente bekend. In maart, nadat de ROB advies heeft uitgebracht, consulteren de fondsbeheerders ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over de nieuwe verdeling.

De effecten van het nieuwe verdeelmodel zijn groot en ook zijn er grote verschillen tussen de uitkomsten per gemeente. Uit een eerder uitgevoerde praktijktoets[1] blijkt echter wel dat ‘de belangrijkste knelpunten bij de toegang en continuïteit en beschikbaarheid van passende zorg in het huidige stelsel in tenminste aanzienlijke mate worden weggenomen’. Dit betekent dat cliënten vaker daar kunnen wonen waar hun netwerk is of waar zij beter kunnen herstellen.

Om de (onoverkomelijke) effecten van de nieuwe herverdeling te verzachten, is gekozen voor een ingroeipad van tien jaar, waarbij door middel van verschillende ‘tranches’ wijzigingen worden doorgevoerd. De effecten worden op die manier verspreid over een langere periode. Dit vermindert de mogelijke effecten voor cliënten. Ook geeft dit gemeenten de tijd om hun lokale voorzieningen en woonvoorraad op te bouwen.

3. Doordecentralisatie financiële middelen van centrumgemeenten naar alle gemeenten

Per 1 januari 2023 worden voor alle nieuwe cliënten – over een periode van zeven jaar – de financiële middelen herverdeeld van de centrumgemeenten naar alle gemeenten. Dit betekent dat regiogemeenten in de loop der jaren verantwoordelijk zullen worden voor een groeiend aantal cliënten. Tegelijkertijd zal het aantal cliënten waar de centrumgemeenten nu primair verantwoordelijk voor zijn over de jaren afnemen.

Voor de huidige cliënten worden de financiële middelen in eerste instantie nog overgemaakt naar de centrumgemeenten. Omdat uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde doorstroom van cliënten in beschermd wonen gemiddeld maximaal zeven jaar duurt, is de verwachting dat de zittende groep cliënten in die periode is uitgestroomd. Na maximaal zeven jaar zal de zittende groep cliënten dus volledig zijn uitgestroomd en zal er alleen nog sprake zijn van nieuwe cliënten. Zeven jaar na invoering zullen dus voor het eerst alle financiële middelen voor beschermd wonen in zijn geheel worden herverdeeld over alle gemeenten.

De financiële middelen voor maatschappelijke opvang zullen in ieder geval nog vijf jaar via de centrumgemeenten worden uitgekeerd. Voor cliënten die behoefte hebben aan een meer specialistische vorm van beschermd wonen zullen naar verwachting afspraken in en met de regio worden gemaakt.

4. Invoering van het woonplaatsbeginsel

In de praktijk blijkt dat cliënten vaak een aanvraag indienen bij gemeenten met instellingen voor beschermd wonen. De huidige organisatie en financiering van beschermd wonen houdt dit in stand. De vrees is dan ook dat de landelijke toegankelijkheid er dan nog steeds toe leidt dat gemeenten met relatief veel instellingen, onevenredig worden ‘belast’ met cliënten afkomstig uit andere gemeenten. Dit terwijl gemeenten door het objectief verdeelmodel alleen middelen ontvangen voor de eigen inwoners. Om die reden is voorgesteld om het zogenoemde woonplaatsbeginsel in te voeren. Daarmee wordt de herkomstgemeente van de cliënt verantwoordelijk voor de verstrekking van beschermd wonen.

Op weg naar balans

De doordecentralisatie, de invoering van het nieuwe verdeelmodel en het woonplaatsbeginsel zijn een stap in de goede richting naar meer balans. De maatregelen zorgen er samen voor dat gemeenten geprikkeld worden om preventieve en lichtere voorzieningen te ontwikkelen, zodat (te) zware zorg of bijvoorbeeld een verhuizing wordt vermeden. Ook biedt de doordecentralisatie extra kansen voor een vlottere doorstroom naar zelfstandig wonen, een betere mogelijkheid om thuis te kunnen blijven wonen met ambulante begeleiding en herstel in de eigen omgeving.

Toch is er ook een aantal risico’s. Zo staan vooral de kleine(re) regiogemeenten voor de opgave om specifieke expertise en beleidscapaciteit op te bouwen. Intern zullen de afdelingen ruimtelijke ordening en sociaal domein aan elkaar gekoppeld moeten worden. Samen met ketenpartners moeten deze gemeenten inzetten op de vernieuwing van het zorglandschap en de organisatie van 24-uurs beschikbaarheid van zorg voor een groep cliënten waarvoor de regiogemeenten tot nu toe niet (financieel) verantwoordelijk waren. Het niet tijdig of onvoldoende opbouwen van voorzieningen kan leiden tot escalatie, met alle consequenties van dien.

Opgaven in beeld

De doordecentralisatie vraagt van gemeenten, ondanks alle onzekerheden die er nog zijn, om voortvarend aan de slag te gaan met de opgaven. Goede samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, zorgaanbieders en welzijnsorganisaties is hierbij essentieel. Zij moeten, op zowel regionaal als lokaal niveau, afspraken maken over onder andere de toegang tot voorzieningen, de inkoop van zorg, de af- en/of opbouw van voorzieningen, passende en betaalbare woonruimte en de financiering van de opgaven. Een forse uitdaging.

Wat kan BMC op dit vlak voor u betekenen

De opgaven rondom de doordecentralisatie spelen zich af op twee niveaus: Op strategisch- en op uitvoerend niveau. Op strategisch niveau gaat het over (regionale) afspraken over het gewenste voorzieningenniveau, financiële afspraken en inrichting van het zorglandschap. Op uitvoerend niveau gaat het over het (lokaal) implementeren van de keuzes die op strategisch niveau zijn gemaakt. BMC kan gemeenten ondersteunen met strategisch advies, (regionaal) projectleiders en procesbegeleiders, beleidsadviseurs en projectmedewerkers.  

Download infographic

Meer informatie?

Benieuwd naar wat BMC voor uw gemeente kan betekenen? Neem dan contact op met Marco van Driel, Saskia Bijpost of Peter van Osch via onderstaande gegevens.

[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 25424, nr. 544

BESTUUR & ORGANISATIE SOCIAAL DOMEIN PUBLICATIE

Peter van Osch Zorg senior adviseur 06 - 13 51 09 15
Saskia Bijpost Sociaal Domein, Sociale Zekerheid adviseur sociaal domein 06 - 57 58 28 63
Marco van Driel Sociaal Domein adviseur sociaal domein 06 - 20 96 02 78

Gerelateerd artikelen