7 jun 2016

Artikel: Onderwijs en jeugdhulp werken integraal – samen!

Zowel in het onderwijs als in de jeugdhulp ontmoeten we in de praktijk nog vaak bestuurders en professionals die integraal samenwerken en het uitgangspunt ‘één gezin, één plan, één regisseur’ moeilijk realiseerbaar vinden. Toch kennen we tegelijkertijd ook steeds meer scholen, hulpaanbieders, wijkteams en gemeenten bij wie de verbinding tussen onderwijs en jeugdhulp inmiddels in de genen lijkt te zitten. Wat is het verschil? Waar gaat het bij de een soms mis en waarom gaat het op een aantal andere plaatsen zo goed en lijken kinderen en jongvolwassenen daar de kansen te krijgen die zij verdienen?

Het ontbreken van een gemeenschappelijke visie, gemeenschappelijke uitgangspunten en de bijbehorende werkwijze zien we vaak op die plekken waar samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp onvoldoende tot stand komt. Vaak vliegen professionals de hulpvragen van kinderen en ouders van verschillende kanten aan en werken zij naast in plaats van met elkaar. Dit kan voor alle betrokkenen heel frustrerend zijn en het vermindert de kansen voor de betreffende kinderen. We zien dit zowel bij de samenwerking tussen het regulier onderwijs en de generalistische zorg als bij het (voorgezet) speciaal onderwijs en de vaak specialistischere jeugdhulp.

Elementen om een gezamenlijke aanpak te realiseren

Om een gezamenlijke aanpak te realiseren is het noodzakelijk en gewenst dat alle betrokkenen werken vanuit een gemeenschappelijk(e) visie en concept. Daarin moeten in ieder geval de volgende elementen een plaats hebben:

  • Een omslag in denken en handelen bij de directbetrokkenen: samenwerking is van wezenlijk belang voor de kwaliteit van begeleiding, ondersteuning en hulp;

  • het besef dat problemen van jeugdigen zich gewoonlijk niet beperken tot één werkveld of één leefwereld;

  • bestuurlijke erkenning binnen organisaties dat investeren in samenwerking met andere partners van grote betekenis is voor de kwaliteit van het werk;

  • de bewustwording dat integraal werken tot gevolg heeft dat werkprocessen in onderwijs, zorg en veiligheid samenhangend moeten zijn;

  • de beslissende invloed van ouders en jeugdigen zelf op de inrichting van het onderwijs-zorgarrangement.

Het onderwijs-zorgarrangement

Een onderwijs-zorgarrangement richt zich op een leerling met een onderwijs- en ondersteuningsbehoefte waarin het regulier of het speciaal onderwijs niet alleen kan voorzien. Doel is het realiseren van een ontwikkelingsperspectief, inclusief het bevorderen van de schoolloopbaan van de leerling, dankzij een integrale aanpak op school, in de vrije tijd en thuis. Het gaat om een arrangement waarin het onderwijs en één of meerdere instellingen – het liefst structureel – samenwerken met ouders en leerling, op basis van ‘één gezin, één kind, één plan, één regisseur’. Uitgangspunt voor de uitvoering is het versterken van de eigen kracht van de leerling en diens omgeving, op basis van afspraken die de gemeente en het onderwijs maken.

We stellen daarbij expliciet het schoolperspectief centraal. Onderwijs en een goede afronding van de schoolloopbaan zijn namelijk essentiële middelen waarmee maatschappelijk perspectief kan worden verworven en waarmee jeugdigen uitzicht wordt geboden op een volwaardige positie in de samenleving. Tevens is onderwijs een belangrijk middel in de socialisatie van jeugdigen en de overdracht van kernwaarden. Bovendien is het een hulpmiddel om ouders meer te betrekken en waar nodig te ondersteunen bij de ontwikkeling en de opvoeding van jeugdigen.

Voorwaarde is daarbij wel dat het onderwijs van een constante hoogwaardige kwaliteit is. Zowel de leraar als de schoolleider of de bestuurder moet ervoor zorgen dat er in klas en school datgene gebeurt wat leerlingen optimaal laat profiteren van het onderwijs, zeker als er meer leerlingen bij komen die extra en speciale aandacht vragen. Alle leerlingen vragen om lessen die hen boeien en betekenis voor hen hebben, hebben een goede uitleg nodig en gedijen in een leeromgeving die hen activeert. De redenering dat ‘meer handen in de klas’ de oplossing biedt, blijkt een illusie te zijn en de groei van het aantal leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte legt extra druk op de school en met name op de docenten.

Door een toename van kennis, differentiatie en specialisatie in de jeugdhulpverlening en de veranderende maatschappelijke, beleidsmatige en wettelijke eisen is de samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp en gemeenten van essentieel belang geworden. Daarom benadrukken wij de samenhang tussen de invoering van de Wet passend onderwijs en de transitie van de jeugdhulp. Een gezamenlijke inzet van onderwijs, jeugdhulp en gemeenten moet leiden tot een dekkende ondersteuningsstructuur, die tegelijk de basis vormt voor zowel preventieve als curatieve maatregelen gericht op risicojeugdigen. Een goede startkwalificatie op basis van goed onderwijs kan problemen in de toekomst voorkomen. Dit impliceert voor samenwerkingsverbanden en reguliere scholen dat er nauw samengewerkt dient te worden met de wijkteams en dat cluster-4-scholen intensieve samenwerking moeten zoeken met gespecialiseerde zorginstellingen.

De geschetste ontwikkelingen, waarbij leerlingen zoveel mogelijk in het reguliere onderwijs worden opgevangen, zullen ertoe leiden dat leerlingen die in het (voortgezet) speciaal onderwijs terechtkomen een complexere zorgvraag hebben. Om deze leerlingen adequaat te kunnen ondersteunen zal het voorgezet speciaal onderwijs nauwer moeten gaan samenwerken met jeugdhulp in de vorm van onderwijs-zorgarrangementen voor leerlingen.

(V)so-onderwijs en jeugdhulp moeten de handen ineenslaan om te komen tot passende (flexibele en variabele) onderwijs-zorgarrangementen. In deze samenwerking worden in multidisciplinaire teams op basis van synergie resultaten behaald die bijdragen aan een krachtige regio. De doelstelling is: participatie en zelfredzaamheid van leerlingen op de langere termijn. Maar hoe kan een samenwerking echt succesvol zijn? Wat is hiervoor nodig?

De Hydradriehoek voor integrale samenwerking

Op basis van een analyse van succesvolle integrale samenwerkingen heeft BMC de zogeheten Hydradriehoek ontwikkeld1.

Het is een aanpak die handvatten biedt om integraal samenwerken concreet, overzichtelijk en praktisch te maken. Hoewel er geen blauwdruk bestaat voor integraal samenwerken en elke situatie weer anders is, valt op dat bepaalde werkwijzen steeds ten grondslag liggen aan succesvolle samenwerkingen rondom het onderwijs en het sociaal domein: een op elkaar afgestemde zelforganisatieaanpak, de inrichting van een integraal hulpverleningsproces, de afstemming van het feitelijk regiehouden, minimale kwaliteitseisen (om in de praktijk dezelfde taal te spreken) en een bedrijfsvoering die integraal werken bevordert en niet belemmert.

Deze werkwijzen voor succesvolle integratie hebben een stevige fundering nodig, zodat professionals ook echt in het belang van het kind handelen en niet zozeer uit loyaliteit naar de eigen organisatie. De fundering bestaat uit gezamenlijke integratiedoelen (meerwaarde van samenwerking) en een passend integratiemodel dat de financieel-juridische en organisatorische kaders pretendeert (bijvoorbeeld hoofd- en onderaannemerschap, coöperatie et cetera).

Een praktijkvoorbeeld

Ter illustratie een voorbeeld uit de praktijk.In het Kennis- en Expertisecentrum (KEC) wordt samengewerkt tussen (voortgezet) speciaal onderwijs en jeugdhulp in multidisciplinaire teams. Doelstellingen zijn: participatie en zelfredzaamheid op de langere termijn. Het KEC biedt integrale, intensieve en specialistische onderwijs-zorgprogramma’s onder één dak én hoogwaardige ondersteuning, begeleiding van gezinnen, scholen en maatschappelijke organisaties in de regio. Hierdoor ontstaan onderwijs-zorgarrangementen die in de praktijk worden vormgegeven in het meer reguliere onderwijs en in het KEC als voorziening voor kinderen en jeugdigen met een specifieke leer- en/of ontwikkelingsvraag (0t/m 23 jaar).

Het gaat daarbij niet alleen om zogenoemde cluster-4-kinderen, maar om elk kind of elke jeugdige die het tijdelijk moeilijk heeft binnen het reguliere onderwijs, zoals bijvoorbeeld thuiszitters en kinderen die tussen wal en schip zijn geraakt. De aanleiding is vooral gelegen in een specifieke leer- en/of ontwikkelingsvraag in combinatie met psychosociale problematiek. In zulke gevallen is er veelal sprake van cumulatie van problemen, zoals (pedagogische) armoede, werkloosheid, problemen met leren, fysiek en/of emotioneel geweld, middelengebruik en verslaving.

Om deze doelstellingen binnen een KEC te kunnen realiseren moet er sprake zijn van een gemeenschappelijk(e) basis en fundament. De weerslag daarvan wordt zichtbaar in een uitwerking van de thema’s van de zelforganisatieaanpak, namelijk in (1) de inrichting van onderwijs- en hulpverleningsarrangementen, (2) de inrichting van het regiehouderschap, (3) de vastgestelde kwaliteitseisen en (4) de inrichting van de bedrijfsvoering.

Ad 1. De inrichting van onderwijs- en hulpverleningsarrangementen

Vanuit één plan en onder één regie kunnen modules vanuit het onderwijs en de jeugdhulp geïntegreerd worden aangeboden. Onderwijs en jeugdhulp zijn onmisbare schakels in het netwerk dat nodig is voor het beantwoorden van vragen van kinderen, jongeren en hun gezinnen waarbinnen psychosociale problematiek een rol speelt. De leerling/cliënt heeft in principe van begin tot eind met één onderwijszorgcoördinator te maken. Alleen indien gewenst of noodzakelijk kan hiervan worden afgeweken. Er is sprake van één primair proces, waarin gewerkt wordt. In het primaire proces zijn de routes, de verantwoordelijkheden, de functies en communicatie helder en op praktische wijze vastgelegd.

De opvoed- en leersituatie kunnen van begin tot eind in en buiten het KEC niet losgezien worden van elkaar en er is sprake van afstemming en overeenstemming over de opvoed- en leerdoelen en de wijze waarop deze gerealiseerd worden. Om doelgericht te kunnen zijn en blijven is het belangrijk om elkaar te informeren over de voortgang en de van belang zijnde veranderingen in en rond de situatie van de jeugdige snel te delen. Leerlingen gaan altijd volledig naar school, tenzij het vanuit behandeloverwegingen absoluut noodzakelijk is om meer tijd in te ruimen voor specifieke behandelactiviteiten of in het programma blijkt dat het onderwijs in de klas om orthopedagogische redenen gefaseerd moet worden aangeboden.

Ad 2. De inrichting van het regelhouderschap

De gehele organisatie KEC staat onder leiding van een verantwoordelijk directeur, die zowel het onderwijs als de hulpverlening aanstuurt. De inhoudelijke leiding wordt verzorgd door een onderwijs-zorgcoördinator die verantwoordelijk is voor de inrichting van het gehele geïntegreerde primaire proces. Dit impliceert dat:

  • de onderwijs-zorgcoördinator verantwoordelijk is voor het verzamelen van de benodigde informatie, zodat op basis van de betreffende kenmerken een afgestemd programma samengesteld kan worden;

  • de onderwijs-zorgcoördinator verantwoordelijk is voor de intake en de voorinformatie verzamelt. Hierdoor kan de informatie van de school waar de leerling op dat moment op zit bijdragen aan het samenstellen van het onderwijs-zorgprogramma;

  • de onderwijs-zorgcoördinator de modules indiceert, het programma samenstelt en het programma coördineert. Daarmee is hij/zij expliciet leider van het multidisciplinaire team. De mentor is aanspreekpunt voor de ouders als het gaat om specifieke onderwijsontwikkelingen, de onderwijs-zorgcoördinator is dat voor de overige vragen.

Ad 3. De vastgestelde kwaliteitseisen

Het bestuur van het KEC stelt de kwaliteitseisen vast. Daarbij geldt dat er door alle medewerkers grote waarde wordt gehecht aan de continuïteit van het aanbod. Er is een bewuste netwerkverantwoordelijkheid en –kwaliteit, waarbinnen een open en constructieve aanspreekcultuur heerst. Ondersteuning en hulpverlening vinden niet alleen altijd zo kort en licht mogelijk, maar ook zo intensief en lang als nodig plaats. De vraag van degene die het kind bij het KEC heeft aangemeld wordt altijd uitgevoerd. De aanmelders (artsen, scholen, BJZ, SWV PO, SWV VO, gemeenten et cetera) blijven gedurende het verloop van het onderwijs-zorgprogramma op de hoogte van de voortgang en de ontwikkelingen. De gehele interne organisatie voldoet aan de landelijke kwaliteitseisen voor speciaal onderwijs en jeugdhulpverlening.

Ad 4. De bedrijfsvoering

Het KEC wordt als één organisatie aangestuurd. Er is dan ook sprake van één bedrijfsvoering, ondanks de gescheiden financiële systemen. De verantwoording vindt conform wet- en regelgeving plaats, maar de inrichting gaat uit van het KEC als één organisatie. De participanten van het KEC maken gebruik van een geïntegreerd ICT-systeem voor zowel de cliënt-/leerlingadministraties als de volgsystemen.

Slotbeschouwing

Onderwijs en jeugdhulp werken in het hier toegelichte praktijkvoorbeeld compleet integraal samen, om zo de kansen van de desbetreffende kinderen te verbeteren. Deze samenwerking is redelijk uniek. In veel gevallen is de op het kind en de jeugdige afgestemde ontwikkeling nog onvoldoende. Onderwijs, ondersteuning, hulpverlening en de samenleving spraken vaak niet dezelfde taal. Acceptatie en integratie van kinderen en jeugdigen binnen het onderwijs, ongeacht hun leer- en/of ontwikkelingsvraag, laat nog te wensen over en er is te weinig hulp en ondersteuning voor deze kinderen of jongvolwassenen.

De ambitie van het KEC is: ‘Beter met hetzelfde!’. Hogere maatschappelijke opbrengsten tegen dezelfde of minder maatschappelijke kosten, maar met opgebouwde en verbonden expertise, methoden en instrumenten. In de kern gaat het om het realiseren van een integraal netwerk uit onderwijs en jeugdhulp om kinderen en jongvolwassenen alle kansen te bieden die zij verdienen.

Meer informatie

Voor meer informatie of een vrijblijvende afspraak kunt u contact opnemen met Frans Thomassen, partner Onderwijs, via telefoonnummer 06-11391768 of per e-mail naar frans.thomassen@bmc.nl, of met Ansgar Willenborg, partner Jeugdhulp, via telefoonnummer 06 - 51 92 10 91 of per e-mail naar ansgar.willenborg@bmc.nl.

 

1 BMC Advies (2016): De Hydradriehoek voor integrale samenwerking