21 apr. 2026

Voorjaarsnota: weinig financiële ruimte voor lokale ambities 

De Voorjaarsnota van het Rijk biedt weinig financiële ruimte om lokale ambities in te passen in de nieuwe collegeprogramma’s. Nieuwe lokale bestuurders zijn in de inhoudelijke coalitieonderhandelingen dan ook vooral aangewezen op de eigen begroting, concludeert BMC’er Erwin Ormel vooruitlopend op de meicirculaire van het gemeentefonds. Lees zijn volledige analyse hieronder. 

Korting op de huishoudelijke hulp

Mensen gaan voor zover mogelijk zelf betalen voor hun huishoudelijke hulp. Dit betekent dat de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening binnen de Wmo met ingang van 1 januari 2029 verdwijnt. Voor mensen die zelf geen hulp kunnen regelen, blijft de gemeente dit doen. Het regeerakkoord noemde hiervoor nog een taakstellende besparing van € 435 miljoen. De voorjaarsnota gaat nu uit van een besparing van € 1 miljard. Voor een gemiddelde gemeente van 40.000 inwoners betekent dit een structurele bezuiniging van € 2 miljoen, die opgevangen moet worden door het schrappen van de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening binnen de WMO. Het gaat hierbij om ongeveer 20% van het totale budget voor voorzieningen en dienstverlening. 

Klimaatgelden blijven

In het regeerakkoord is afgesproken dat gemeenten tot 2040 extra middelen ontvangen voor de capaciteitsinzet voor het klimaat- en milieubeleid. De tranche voor 2027 loopt net als in 2026 via een decentralisatie-uitkering. Het gaat hierbij om een bedrag van € 671 miljoen. Dit bedrag ligt in lijn met de ontvangen middelen voor 2026. Vorig jaar ging het om een bedrag van € 666 miljoen. 

Vervanging abonnementstarief uitgesteld

Huishoudens die gebruikmaken van de WMO, betalen hiervoor een vaste vergoeding: het zogeheten “abonnementstarief”. In het verleden is al geconstateerd dat de invoering van een vaste eigen bijdrage een aanzuigende werking had op het gebruik van de WMO. Daarom is enkele jaren geleden besloten om een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in te voeren. Daarvoor is een besparing ingeboekt in het gemeentefonds. Deze inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage invoeren kan niet eerder dan per 1 januari 2028. Dit betekent 1 jaar uitstel. Het gemeentefonds wordt hiervoor gecompenseerd met € 266 miljoen. Voor gemeenten heeft dit weinig effect, omdat ze in de regel tegenover deze extra uitkering de geraamde inkomsten moeten schrappen. 

Een hogere inflatievergoeding in 2026

De accrescijfers zijn geactualiseerd op basis van de meest recente cijfers van het Centraal Planbureau (maart 2026). De inflatie voor 2026 valt iets hoger uit dan voorzien in de miljoenennota in september. Dat leidt tot een beperkt hogere inflatievergoeding voor gemeenten, zie onderstaande tabel.

Het accres stijgt daarmee met ongeveer 200 á 300 miljoen euro. Onderstaande tabel laat dit zien. Een gemiddelde gemeente van circa 40.000 inwoners ontvangt hierdoor zo'n € 400.000 extra accres. Deze middelen zijn waarschijnlijk nodig om de hogere inflatie te bekostigen en zijn hierdoor maar zeer beperkt inzetbaar voor nieuwe ambities.   

Deze ramingen zijn gebaseerd op de voorspellingen van het Centraal Planbureau van 13 maart. In de periode daarna is voorspeld dat de inflatie oploopt als gevolg van de recente conflicten in het Midden-Oosten. Daar is in deze cijfers nog geen rekening mee gehouden. 

Niet gedeclareerde btw: een nadeel van € 213 miljoen

Gemeenten kunnen de btw die ze moeten betalen bij het Rijk declareren via het zogenoemde Btw-compensatiefonds, maar dit fonds heeft een plafond. Declareren de gezamenlijke gemeenten méér dan er in het Btw-compensatiefonds beschikbaar is, dan vult het gemeentefonds aan. Blijft er geld over, dan vloeit dit terug naar het gemeentefonds. In september was de verwachting dat de gemeenten in 2025 € 428 minder zouden declareren dan er beschikbaar was. Dit voordeel blijkt nu minder groot, namelijk € 215 miljoen. Hierdoor ontstaat een tegenvaller van € 213 miljoen ten opzichte van de verwachtingen in september. 

Van de provinciale toezichthouders mogen gemeenten het laatst gerealiseerde voordeel structureel meenemen in hun meerjarenbegroting. Het voordeel in 2024 bedroeg uiteindelijk € 332 miljoen. De nieuwe norm komt ruim € 100 miljoen lager uit. Dat betekent dat gemeenten die de norm van de toezichthouder aanhouden een structurele tegenvaller krijgen. Voor een gemiddelde gemeente van 40.000 inwoners bedraagt deze tegenvaller ongeveer € 250.000. 

Geen oplossing voor financiële problematiek jeugdzorg

Het coalitieakkoord biedt geen oplossing voor de financiële problematiek in de jeugdzorg. In de voorjaarsnota van 2025 heeft het kabinet voor de periode 2025-2029 ongeveer € 3,5 miljard aan extra middelen beschikbaar gesteld. Afgelopen zomer bleek uit een analyse van BMC dat het financieel perspectief van gemeenten wel is verbeterd, maar dat ze in hun begrotingen ook te maken kregen met nieuwe tegenvallers. Hierdoor moesten gemeenten een deel van de extra middelen van het Rijk en hun eigen bezuinigingen gebruiken om nieuwe tegenvallers op te vangen. Hetzelfde beeld komt naar voren in de recent gepubliceerde cijfers van BDO over de gemeentebegrotingen. Een door BMC uitgevoerde analyse van de jaarrekeningen laat daarnaast zien dat de kosten voor de jeugdzorg en de wijkteams veel harder stijgen dan de compensatie die de gemeenten krijgen voor de inflatie. Dit geldt ook voor de kosten van de eigen organisatie.

Jaarrekeningen maken duidelijk of trend doorzet

De komende maanden wordt in veel gemeenten duidelijk of deze trend doorzet. Mocht er opnieuw sprake zijn van een boveninflatoire kostenstijging (bijvoorbeeld in het sociaal domein en de eigen organisatie) die structureel doorwerkt in de meerjarenbegroting, dan gaat het perspectief nog verder verslechteren. Alleen is er nu geen zicht op extra financiële compensatie van het Rijk. Onderstaande tabel laat zien dat de primitieve begroting voor 2025 uitging van een lager niveau dan de rekening voor 2024 later liet zien. Als de trend is doorgezet en het uitgavenniveau is gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor, dan krijgen veel gemeenten opnieuw een structurele tegenvaller die doorwerkt naar latere jaren. De cijfers van de jaarrekeningen, die over vier maanden verschijnen, zullen een beter beeld geven.

Politieke partijen: eigen wensen en prioriteiten

Daarnaast hebben de politieke partijen in de lokale verkiezingscampagnes hun eigen wensen en prioriteiten die ze aan de onderhandelingstafel willen realiseren. Het is maar de vraag of er ruimte is om hier wat van te honoreren. Dit kan leiden tot moeizame gesprekken om de geringe financiële ruimte in te vullen.

Grote uitdagingen in het fysieke domein

Uit een door BMC uitgevoerde verkenning in het voorjaar van 2025 bleek dat deskundigen ook in het ruimtelijk domein ontwikkelingen voorzien die in de toekomst kostenverhogend werken. Denk aan de revitalisering van naoorlogse wijken, de noodzakelijke vervanging van civiele infrastructuur, de problematiek rond netcongestie en de stikstofproblematiek. Bovendien leidt de woningbouwopgave, naast de inzet van co-financiering, tot nieuwe structurele lasten voor gemeenten die onvoldoende gecompenseerd worden. 

Complicerende factor: onderlinge samenhang

Beleidsdossiers staan al lang niet meer op zichzelf. Neem de woningbouwopgave die bij gemeenten ligt. Hier komt veel problematiek samen: niet alleen schaarse grond, netcongestie en beperkte arbeidskracht om te bouwen, maar ook de betaalbaarheid van wonen en de toekomstige tekorten in de zorg vanwege de vergrijzing. Dit is een complexe puzzel, die vraagt om vergaande samenwerking in de uitvoering. Binnen gemeenten, tussen gemeenten, en met partners als projectontwikkelaars, woningcorporaties en zorg- en welzijnspartijen, met ieder een andere aansturing en deels andere belangen. Meer weten over de gevolgen van het coalitieakkoord voor woningcorporaties? Lees dan de analyse van Luiten Plekker, partner toekomstbestendige woningcorporaties bij BMC.

Herverdeling van het gemeentefonds

In 2023 is besloten tot een grootschalige herverdeling van het gemeentefonds. Uiteindelijk zijn de voordelen en de nadelen voorlopig beperkt tot € 37,50 per inwoner, ook in afwachting van de uitkomsten van onderzoek naar aanpassingen van het nieuwe verdeelmodel. De minister heeft een aantal voorstellen gedaan om het verdeelmodel aan te passen. De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft hierover op 1 april advies uitgebracht. Het was eerst de bedoeling om de effecten van dit verdeelmodel mee te nemen in de meicirculaire van dit jaar. De Raad voor het Openbaar Bestuur concludeert dat, op enkele onderdelen na, de aanpassingen onvoldoende uitgewerkt zijn, om nu door te voeren. Bovendien concludeert de Raad dat in de huidige voorstellen sprake is van grote herverdeeleffecten. Of het Rijk het advies van de Raad overneemt, is nog onzeker. Mocht in de meicirculaire blijken dat het rijk toch onverkort vasthoudt aan het nieuwe verdeelmodel, dan is de kans groot dat het financieel perspectief voor veel gemeenten nog gaat wijzigen. Een grote groep gaat er met ingang van 2027 op vooruit en een een grote groep gaat er op achteruit. Wat de omvang van deze effecten is, is niet bekend gemaakt.

Meerjarig investeren met eigen vermogen

Het eigen vermogen van de Nederlandse gemeenten bedraagt op dit moment ruim € 43 miljard. Eind 2019 was het eigen vermogen nog ongeveer € 29 miljard. In vijf jaar tijd is het eigen vermogen van gemeenten dus met € 14 miljard gestegen; het was nog nooit zo hoog. Dat gemeenten een buffer nodig hebben om risico’s op te vangen is evident. Bovendien is het eigen vermogen ongelijk over de gemeenten verdeeld. Afhankelijk van de financiële situatie in individuele gemeenten liggen er kansen om dit vermogen maatschappelijk meerjarig te laten renderen, door een deel in te zetten als dekking voor investeringen met een meerjarig nut. Dit kan alleen als de exploitatie meerjarig structureel sluitend is. En die opgave lijkt weer groter te worden.

Zeven handreikingen voor beleidsvorming

In deze periode na de gemeenteraadsverkiezingen staan gemeenten voor de complexe opgave om richting te geven aan het beleid voor de komende vier jaar. Voor concrete handreikingen verwijzen we naar onze eerdere analyse van het coalitieakkoord. Hier noemen we ze nog een keer kort:

  1. Zorg voor een actueel financieel perspectief

  2. Breng de maatschappelijke opgaven reëel in beeld

  3. Maak afspraken over een ‘slechtweerscenario’ vanaf 2028

  4. Begin op tijd

  5. Benut financieel-technische maatregelen om tijd te kopen 

  6. Zet reserves verstandig in

  7. Stuur op evenwicht in beleid, organisatie en middelen

Meer informatie 

Wilt u meer weten over deze analyse of informatie over hoe wij gemeenten begeleiden bij hun financiële strategie? Neem voor meer informatie of een vrijblijvend gesprek contact op met Erwin Ormel.

PUBLICATIE BESTUUR-EN-BEDRIJFSVOERING BESTUUR-EN-ORGANISATIE BESTUUR-EN-SAMENWERKING

Meer weten?

Neem contact met mij op

Erwin Ormel managing consultant 06 - 10 63 16 53