15 jul 2022

De aanpassing van de Participatiewet: het duurt nog even!

Twee jaar corona-crisis en personeelstekorten: dat zal ook zijn uitwerking op de ministeries hebben. Toch valt op dat de de aanpassing van de Participatiewet wel wat lang op zich laat wachten. Maar het is ook niet niks: er moet gesleuteld worden aan de grondslagen van de Participatiewet! In dit artikel duiken we in de wereld van de Participatiewet en zien we een heuse paradigmashift.

Terug in de tijd

In 2008 ontstond in ons land door de kredietcrisis een werkloosheidsgolf. Groei van werkloosheid betekent dat mensen die al moeilijk een baan vinden, nog moeilijker aan het werk komen. Met dat in gedachten werd de Wet werken naar vermogen ingericht.

Bij de Wet werken naar vermogen moet men niet denken aan archetypische wet met een opsomming van ge- en verboden. Deze wet zou alle bestaande dienstverlening bij elkaar moeten brengen voor het begeleiden naar werk van mensen die dat zelf niet zouden kunnen, ongeacht de regelingen waarvan zij al gebruik maakten. Bovendien had deze wet als doel om mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt maximaal te ondersteunen in het vinden van een baan die bij hen past. Echter, de wet sneuvelde. Niet in de laatste plaats vanwege grootschalige fraude met toeslagen in Bulgarije. De politiek en publieke opinie reageerde furieus. Er ging een heel wat strengere wind in het land waaien als het ging om mensen die gebruik maakten van regelingen. De Wet werken naar vermogen werd ‘te soft’ gevonden er ontstond behoefte aan een kader waarmee ook paal en perk kon worden gesteld aan misbruik van regelingen. Met de introductie van de Participatiewet werd dat kader gegeven en wilde men zowel uitkeringsgerechtigden, potentiële werknemers als werkgevers aansporen - in ultimo met dwang - om te participeren en in staat stellen te participeren. 

Wat we even vast moeten houden bij het lezen van deze ontwikkelingen is dat zowel de Wet werken naar vermogen als de Participatiewet een mensbeeld reflecteert dat gebaseerd is op een aantal veronderstellingen. Samengevat: als je wil werken, dan is er werk. Dus als je niet werkt dan ligt het aan jou en moet je worden geholpen, gestimuleerd en eventueel gesanctioneerd. De wet formuleert het heel omfloerst, “[...] de uitkeringsgerechtigde heeft de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerd werk te verkrijgen en te aanvaarden [...]”. Maar in deze formulering zit een mensbeeld dat er vanuit gaat dat iemand altijd kan en wil werken. En in de formulering zitten ook een aantal veronderstellingen, namelijk dat er hulp is, dat er gestimuleerd kan worden en dat dit dan ook effect heeft. Zo ontstaat wat Divosa-voorman Erik Dannenberg wederkerigheid noemde: “[...] wederkerigheid: in ruil voor de uitkering verwachten we van mensen dat zij hun uiterste best doen om weer aan de slag te komen. Of tenminste te werken aan hun inzetbaarheid. Mensen die zich niet voldoende inzetten, verliezen uiteindelijk hun uitkering”.

De evaluatie

De wederkerigheid verwacht een gelijke inspanning van zowel uitkeringsontvangers als de uitkering verstrekkers. In de praktijk kwam de verantwoordelijkheid steeds meer bij de uitkeringsontvangers te liggen, zelfs al voordat de beide wetten waren ingegaan. Want het budget om uitkeringsgerechtigden te begeleiden werd vanaf 2010 jaarlijks verlaagd: van € 4.500 in 2010 naar € 1.500 per uitkeringsgerechtigde in 2019 (bron: Binnenlands Bestuur). In 2021 becijferde een onderzoek van Berenschot in Binnenlands Bestuur dat dit jaarlijkse tekort alleen maar steeg. Adequate ondersteuning werd dus steeds moeilijker. De wederkerigheid die de wet dus verondersteld blijkt in de praktijk steeds verder onder druk te staan. 

In 2019 is de werking van de Participatiewet geëvalueerd. Het beeld dat uit deze evaluatie kwam was niet positief. De wet legt zeer veel beperkingen op ten aanzien van de uitkering, denk daarbij aan de boeteclausules, beperkte mogelijkheden om deeltijd te werken, veel ingebakken wantrouwen. Kortom de wet helpt de inwoners niet of niet voldoende in hun deelname aan de maatschappij. Daarnaast kwam er ook kritiek op het mensbeeld: ‘als je wilt werken, dan is er werk en als je niet werkt, dan ligt dan aan jou’. Want hoe graag mensen soms willen werken, en hoeveel hulp ook beschikbaar is: het lukt grote groepen niet om een baan te krijgen. 

Vanaf die evaluatie zijn er diverse grotere en kleinere aanpassingen geweest van de Participatiewet. Maar een echte herziening bleef op de plank liggen tot de regeringsformatie van het huidige kabinet. Op 21 februari j.l. - enkele maanden na de formatie - werd er door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een voortgangsbrief gezonden naar de Tweede Kamer, met als kernboodschap: ‘we zijn ermee bezig’. Op 21 juni j.l. volgden twee Kamerbrieven. En weer met feitelijk dezelfde  boodschap: ‘we zijn ermee bezig’. 

We moeten dus nog even geduld hebben. Maar uit de brieven vielen ons een aantal dingen op, die we graag delen. Voor de goede orde: we hebben het over twee voortgangsbrieven en één brief met uitkomsten uit een beleidsanalyse. Maar toch ontstaat een consistent beeld. Ten eerste dat het ministerie zogenaamde ‘hardheden’ uit de wet wil verzachten. Bijvoorbeeld op de kostendelersnorm: de regeling die maakt dat jongeren vroeger dan gewenst uit huis moeten en potentieel dakloos raken, omdat anders hun inkomen optelt bij die van de ouders. Ook zal het lonender gaan worden om te werken. Nu nog verliezen uitkeringsgerechtigden door een baan (in deeltijd) vaak recht op diverse toeslagen en minimabeleid, waardoor men door werken feitelijk teruggaat in inkomsten.

Vervolgens zegt de beleidsanalyse: “Een bijstandsgerechtigde wordt in eerste instantie geacht aan zijn arbeidsinschakeling te werken”. Bekend is dat eenmaal in de bijstand het normale leven - of liever, overleven - heel veel extra tijd en aandacht vraagt. Ziek zijn, medische hulpmiddelen, eigen bijdragen - hoe laag ook, zijn vaak een onoverkomelijk grote kostenpost. Dan maar liever zelf doen, of uitstellen. De arbeidsinschakeling is in dat proces van overleven wel een van de laatste dingen waaraan men denkt. Maar laat nou de aanname van de beleidsmakers zijn dat dit het eerste is waaraan de bijstandsgerechtigde zou willen of moeten denken. Dus concludeert de analyse dat “Bijstand en mantelzorg [...] op onderdelen lastig [zijn] te verenigen”. 

Het zijn maar een paar voorbeelden van de ongetwijfeld razend ingewikkelde zaken die de Participatiewet wil samenbrengen. Men zou kunnen betogen dat de signalen op twee gedachten hinken: streng / minder streng. Wat ons opvalt: ook wederkerig / minder wederkerig. Wij vragen ons af of er een paradigmashift gaande is. In de kamerbrief 21 februari j.l.staat de veelzeggende zin: “[…] de wet [is] in haar uitvoering erg gericht op de uitstroom naar arbeid. Terwijl dat in de beleving van een fors deel van de bijstandsgerechtigden op korte termijn geen reëel perspectief is en de juiste ondersteuning daarvoor ook ontbreekt.” 

Deze zin wordt gebracht als een ‘beleving van bijstandsgerechtigden’.Toch wordt impliciet erkend dat de ondersteuning niet optimaal is en dat hier samen met de gemeenten, maatschappelijke organisatie en bijstandsgerechtigden aan de slag moet worden gegaan. Bijzonder hieraan is dat erkend lijkt te worden dat het willen, kunnen en moeten werken niet meer als een gegeven voor alle mensen met een uitkering wordt gezien. En dat is in onze ogen toch echt een paradigmashift.

Maar het moet gezegd: daarna zwijgt de brief over het hoe en wat voor ‘dit forse deel van de bijstandsgerechtigden’ betekent. Ook de brief van 21 juni j.l. gaat daar niet op in. We zijn heel benieuwd welke heldere boodschap de nieuwe Participatiewet zal afgeven. 

Parallelle arbeidsmarkt

BMC werkt voor de publieke organisaties waaronder gemeenten. In onze dagelijkse praktijk zien wij hoe de Participatiewet inwerkt op de arbeidsmarkt en vice versa. Bijvoorbeeld op wat men ook wel de parallelle arbeidsmarkt noemt. De parallelle arbeidsmarkt met grofweg meer dan een miljoen mensen die mogelijk wel zouden willen werken, maar geen werk kunnen vinden, omdat daarbij hulp nodig is, aanpassing van de werkplek nodig is, of een andere benadering van hun kwaliteiten nodig is. In een oververhitte arbeidsmarkt, waar werkgevers niet meer weten waar zij hun werknemers vandaag moeten halen, is zo’n groot onbenut reservoir natuurlijk enorm opmerkelijk.

BMC werkt aan een vernieuwende aanpak voor mensen die niet zelfstandig aan het werk komen. We kiezen steeds vaker voor het loslaten van re-integratie als zelfstandig traject. Leren en werken in de reële arbeidsmarkt, heeft op alle fronten meer effect. Wij denken dat het bieden van ondersteuning het bieden van bestaanszekerheid en werk op ieder niveau beschikbaar te maken, sleutelbegrippen zijn. Wederkerigheid kan alleen worden ingevuld als ook de overheid haar dienstverlening ook afstemt op het vermogen van de inwoner. En wij zien in de praktijk: plots blijkt iemand gewoon een baan aan te kunnen of kan iemand een zeer gewaardeerde bijdrage leveren aan zijn of haar omgeving of de maatschappij. 

David Post Sociaal Domein senior adviseur bij BMC 06 - 51 97 19 52
BLOG SOCIAAL DOMEIN

Gerelateerde artikelen