2 mrt 2016

Blog: De participatie-maatschappij kent veel schakeringen

door Mohammed Essafi, partner BMC

Ik wil net beginnen met mijn maandelijkse column en wordt verrast door het programma ‘Monitor’ op NPO 2. Dit programma gaat over misstanden in onze samenleving: tandartspraktijken die niet deugen en gerund worden door geldbeluste managers, burgers die zelf via internet op zoek gaan naar ‘dodelijke poeders’ uit China om eigenhandig euthanasie te plegen. Deze keer was het thema: de participatiemaatschappij.

Centraal stond de casus van een vrouw die in de bijstand zit en van de sociale dienst een boete gepresenteerd krijgt van ruim € 34.000,-, omdat ze verdacht wordt van bijstandsfraude. Er was sprake van fraude omdat de desbetreffende vrouw op haar kleinkinderen paste. Dit werd beschouwd als werk dat financieel ‘gewaardeerd kon worden’. De vrouw werd als blijk van waardering voor het oppassen door haar dochter weleens verrast met een tas boodschappen en zo af en toe mocht zij mee-eten. Deze familiaire ondersteuning, die we in deze tijd wel vaker zien, werd beschouwd als financiële waardering en daarmee ook gezien als inkomsten.

Kortom: het oppassen op de kleinkinderen terwijl je daarvoor geen geld krijgt maar wel andere vormen van waardering ontvangt, kan kennelijk worden beschouwd als werk. Hier schrok ik wel even van. In mijn ogen is de onderlinge informele ondersteuning, of dat nu van familie, buren of vrienden is, nu juist datgene wat we met elkaar beogen met het veelgebruikte en door sommige mensen verguisde begrip ‘participatiemaatschappij’. De praktijk is dus kennelijk nog weerbarstiger dan ik dacht wat betreft de gewenste invulling van dit begrip.

De desbetreffende casus werd in het programma voorgelegd aan hoogleraar Socialezekerheidsrecht Gijsbert Vonk. De hoogleraar kon de boete van de gemeente op geen enkele wijze rijmen met de wetgeving. Hij gaf aan dat dergelijke doorgeschoten interpretaties van de wetgeving op termijn zullen leiden tot zeer vreemde toestanden en dat de samenleving hierdoor ‘op slot wordt gezet’.

Elkaar in een houdgreep houden is wel het laatste wat we in deze tijd moeten doen. Ik heb de afgelopen jaren veel gesprekken gevoerd met wethouders, raadsleden, managers, beleidsadviseurs en uitvoerders. Eén ding is in ieder geval zeker: we zijn met elkaar juist op zoek naar burgers die zelfredzaamheid tonen en zich medeverantwoordelijk voelen voor het publieke domein.

Ik heb de afgelopen tijd veel mooie initiatieven langs zien komen. Ik volg nu, zij het op afstand, met enige interesse de beweging ‘Nederland Kantelt’ van Jan Rotmans. Hij streeft met zijn beweging naar een maatschappij waarin we gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor duurzame energie, gezond voedsel en mensgerichte zorg. Bij Nederland Kantelt vind je kantelvoorbeelden in de domeinen zorg, onderwijs, energie, bouw, cultuur, financiën, water, ruimte en voedsel. Het is de moeite waard om daar eens naar te kijken.

Ik ben zelf vooral te spreken over de werknemerscoöperatie van schoonmakers. Doodgewone schoonmakers hebben met elkaar een coöperatie, ‘Schoongewoon’, opgericht. Zij zijn nu mede-eigenaar en feitelijk ‘eigen baas’. De energie en de betrokkenheid die zij uitstralen is fantastisch om te zien. Dit zijn mooie ontwikkelingen, die we moeten koesteren. Laten we mensen blijven stimuleren om hun eigen talenten in te zetten en elkaar te helpen, zonder dat zij steeds hun hand ophouden. Burgers zijn slimmer en creatiever dan we vaak met elkaar denken. Ik vind persoonlijk om die reden dat we in de toekomst ook veel meer moeten spreken over SMART citizens dan over SMART cities of andere SMART systems. Het gaat immers om de mensen. Zij vormen de kracht van de samenleving en niet de systemen of de instituties.