5 jun. 2026
Meicirculaire 2026: financiële ruimte blijft beperkt
De meicirculaire 2026 borduurt voort op de cijfers die het kabinet in de voorjaarsnota presenteerde. De uitkering uit het gemeentefonds stijgt iets, maar gemeenten hebben dat bedrag waarschijnlijk grotendeels nodig om de hogere inflatie te bekostigen. Een grote uitdaging is in zicht in 2029, met het schrappen van huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening in de Wmo. Hierover is nog veel onduidelijk. BMC’er Erwin Ormel analyseerde de meicirculaire 2026. Lees hieronder zijn beeld van de effecten voor gemeenten.
Eind vorige week presenteerde het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) de meicirculaire 2026. Daarin geeft het ministerie aan wat de ontwikkelingen zijn met betrekking tot de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De uitkering uit het gemeentefonds bedraagt ongeveer € 50 miljard. Ze is daarmee verantwoordelijk voor meer dan de helft van de inkomsten op de gezamenlijke gemeentebegrotingen. Eerder al presenteerde BMC een analyse van het coalitieakkoord en de voorjaarsnota. De uitkomsten van de circulaire liggen hiermee in lijn, maar de provinciaal toezichthouder kan nog roet in het eten gooien. Door het schrappen van huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening in de Wmo met ingang van 2029, vindt er een korting plaats van (netto) € 1 miljard op de algemene uitkering. Het is nog niet helemaal zeker of gemeenten hier tegenover een stelpost mogen opnemen. Is dat onverhoopt niet het geval, dan moet een gemiddelde gemeente van 40.000 inwoners nog aanvullend € 2 miljoen structureel bezuinigen met ingang van 2029.
Overall beeld algemene uitkering
Onderstaand overzicht geeft een beeld van het verloop van de algemene uitkering uit het gemeentefonds.
Overzicht verloop Algemene uitkering
Bedragen x € 1 miljoen

Accres gemeentefonds
Het accres – de jaarlijkse groei van het gemeentefonds – is gekoppeld aan de ontwikkeling van de economie (het bruto binnenlands product; bbp). Groeit de economie, dan stijgt ook het accres. De normering wordt gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. Het volumedeel is gebaseerd op een achtjaars historisch gemiddelde van het bbp. Het prijsdeel is gebaseerd op de prijsontwikkeling (inflatie) van het bbp van het lopende jaar. Grofweg is te zeggen dat gemeenten het volumedeel kunnen aanwenden om de hogere kosten op te vangen die samenhangen met de groei van de bevolking, kwaliteitsverbeteringen en beleidsintensiveringen. Het prijsdeel is aan te wenden om de kosten van loon- en prijsstijgingen op te vangen. Momenteel loopt de prijsontwikkeling van het bbp achter bij de gemiddelde inflatie waar gemeenten mee geconfronteerd worden. In dat geval moeten gemeenten het volumedeel aanwenden om de inflatie te bekostigen of aanvullend bezuinigen.
Een hogere inflatievergoeding in 2026
De accrescijfers zijn geactualiseerd op basis van de recentste cijfers van het Centraal Planbureau (maart 2026). De inflatie voor 2026 valt iets hoger uit dan in de miljoenennota in september werd voorzien. Dat leidt tot een beperkt hogere inflatievergoeding voor gemeenten, zie onderstaande tabel.
Mutatie accrescijfers
Het accres stijgt daarmee met ongeveer € 200 á 300 miljoen (zie onderstaande tabel). Een gemiddelde gemeente van circa 40.000 inwoners ontvangt daardoor zo’n € 400.000 extra accres. Waarschijnlijk zijn deze middelen nodig om de hogere inflatie te bekostigen en kunnen ze maar zeer beperkt worden ingezet om nieuwe ambities te bekostigen.
Mutatie accres voorjaarsnota 2026

De reeks met nieuwe cijfers is daarmee als volgt:
Actuele accrespercentages voorjaarsnota 2026

Risico van een te lage inflatievergoeding
Gemeenten die de prijsindex gebruiken om de toekomstige prijsstijgingen te bekostigen, komen mogelijk bedrogen uit. De prijsindex is gebaseerd op de verwachte prijsstijgingen van het bbp. De verwachte prijsstijging bij de overheid komt mogelijk hoger uit dan dit percentage. Uit de verwachte loonontwikkeling bij de overheid, de verwachte prijsstijgingen voor de investeringen en de verwachte prijsstijgingen voor de overige materiële uitgaven in de verhouding 60-20-20, ontstaat het volgende beeld:

Van het volumeaccres moet naar verwachting ongeveer een derde tot de helft ingezet worden om de inflatie te dekken. Gemeenten kunnen het mogelijk niet inzetten om de groei van de gemeente of andere autonome ontwikkelingen te bekostigen.
Incidenteel accres
De invoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage Wmo 2015 was ingeboekt per 1 januari 2027. Nu blijkt dat deze niet eerder dan per 1 januari 2028 kan worden ingevoerd. Daarom wordt vanaf de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2027 een bedrag van € 225 miljoen overgeheveld naar het gemeentefonds. Aangezien de besparing van € 225 miljoen al was ingeboekt, is er over deze middelen geen accres opgebouwd. Daarom wordt het accres incidenteel bijgesteld met € 41 miljoen in 2027.
Ontwikkelingen Midden-Oosten
Als gevolg van de recente conflicten in het Midden-Oosten dreigt de inflatie op te lopen. De ramingen in de meicirculaire zijn gebaseerd op de voorspellingen van het Centraal Planbureau van 13 maart. In de periode daarna werd voorspeld dat de inflatie zou gaan oplopen. Daar is in deze cijfers nog geen rekening meegehouden.
Niet-gedeclareerde btw: een nadeel van € 213 miljoen
Gemeenten kunnen de btw die ze moeten betalen declareren bij het Rijk (het Btw-compensatiefonds). Dit fonds kent echter een plafond. Declareren de gezamenlijke gemeenten méér dan er in het Btw-compensatiefonds beschikbaar is, dan past het gemeentefonds bij. Blijft er geld over, dan vloeit dit terug naar het gemeentefonds. In september was de verwachting dat de gemeenten in 2025 € 428 miljoen minder zouden declareren dan er beschikbaar was. Het voordeel blijkt nu minder groot, namelijk € 215 miljoen. Hierdoor ontstaat er een tegenvaller van € 213 miljoen ten opzichte van de verwachtingen in september 2025.
Van de provinciale toezichthouders mogen gemeenten het laatst gerealiseerde voordeel structureel meenemen in hun meerjarenbegroting. Het voordeel in 2024 bedroeg uiteindelijk € 332 miljoen. De nieuwe norm komt ruim € 100 miljoen lager uit. Gemeenten die de norm van de toezichthouder aanhouden worden dus met een structurele tegenvaller geconfronteerd. Voor een gemiddelde gemeente van 40.000 inwoners betekent dit een structurele tegenvaller van circa € 250.000.
Verwachte ruimte in het Btw-compensatiefonds

Korting op de huishoudelijke hulp
Mensen die dit kunnen, gaan zelf betalen voor hun huishoudelijke hulp. Dit betekent dat de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening binnen de Wmo met ingang van 1 januari 2029 wordt geschrapt. Voor de mensen die hulp niet zelf kunnen betalen, blijft de gemeente daarin voorzien. Met ingang van 2029 wordt de uitkering uit het gemeentefonds verlaagd met € 1,4 miljard. Voor de vangnetregeling wordt € 430 miljoen toegevoegd, waardoor een nettoverlaging resteert van € 1 miljard. Voor een gemiddelde gemeente van 40.000 inwoners betekent dit een structurele bezuiniging van € 2 miljoen, die opgevangen moet worden door het schrappen van de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening binnen de Wmo. Het gaat hierbij om ongeveer 20% van het totale budget voor voorzieningen en dienstverlening.

(Bron: IV 3)
Decentralisatie- en integratieuitkeringen
Naast de algemene uitkering bevat het gemeentefonds een aantal decentralisatie- en integratieuitkeringen. Deze uitkeringen kunnen niet via de algemene verdeelmaatstaven verdeeld worden. Dit gaat om ongeveer € 5 miljard. De belangrijkste mutaties zetten we hieronder op een rij.
Overzicht decentralisatie- en integratieuitkeringen
Bedragen x € 1 miljoen

CDOKE-gelden
In het regeerakkoord is afgesproken dat gemeenten tot 2040 extra middelen ontvangen voor de capaciteitsinzet voor het klimaat- en milieubeleid. De tranche voor 2027 wordt, net als die voor 2026, uitgekeerd via een decentralisatieuitkering. Het gaat hierbij om een bedrag van € 671 miljoen. Dit bedrag ligt in lijn met wat de gemeenten voor 2026 hebben ontvangen (€ 666 miljoen).
Loon- en prijsbijstelling participatie en beschermd wonen
De omvang van de integratieuitkering Participatie en de integratieuitkering Beschermd Wonen verandert door de toekenning van de loon- en prijsbijstelling 2026. Dit bedrag is over de centrumgemeenten verdeeld naar rato van de huidige verdeling van deze uitkering. Het Rijk hanteert vanaf 2027 een nieuwe verdeelsleutel voor de Rijksbijdrage Beschut werk. De huidige verdeelsleutel is gebaseerd op Wajong- en Wsw-cijfers uit 2012-2014 en daarmee sterk verouderd. De nieuwe verdeelsleutel sluit beter aan op de daadwerkelijke behoefte naar en inzet van beschut werk bij gemeenten en groeit mee met de jaarlijkse ontwikkelingen.
Herverdeling gemeentefonds
De verdeling van de middelen uit het gemeentefonds is vanaf 2023 gewijzigd. Een aantal verdeelmaatstaven zijn vervallen of aangepast en er zijn nieuwe maatstaven ingevoerd. Dat heeft geleid tot herverdeeleffecten, die tot nu toe zijn afgetopt tot € 37,50 per inwoner. Gemeenten die recht hadden op een groter voordeel krijgen dat tot nu toe niet. Ook voor de nadeelgemeenten is het effect tot nu toe beperkt tot € 37,50 per inwoner. Deze grens zou worden losgelaten als de uitkomsten van nader onderzoek bekend zouden zijn. Het ging met name om:
-
De vraag of er een alternatief kan zijn voor de maatstaf ‘centrumfunctie’ om gemeenten te compenseren voor de stapelingseffecten (hoge kosten voor de bijstand, Wmo en Jeugd) in het sociaal domein. Inmiddels is geconstateerd dat deze stapelingseffecten zich niet alleen in centrumgemeenten voordoen.
-
Er zijn gemeenten, bijvoorbeeld de kustgemeenten, die veel parkeerbelasting en veel toeristenbelasting ontvangen. Op dit moment is de verevening van deze ‘overige eigen middelen’ voor iedere gemeente identiek, namelijk een bedrag per inwoner. Gekeken wordt of een meer gedifferentieerde benadering recht kan doen aan de diversiteit van de eigen inkomsten.
-
De vraag of er specifiek grootstedelijke kosten zijn die zich met name voordoen in gemeenten met meer dan 100.000 inwoners.
De minister van BZK heeft de onderzoeksresultaten voorgelegd aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). De ROB heeft de minister geadviseerd om nog nader onderzoek te doen, alvorens de uitkomsten door te voeren in het verdeelmodel. De uitkomsten sluiten nog onvoldoende aan op de kostenstructuur van de gemeenten. Ter illustratie: in de huidige verdeling wordt driekwart van het cluster ‘Jeugd’ verdeeld met de maatstaf ‘Huishoudens met een laag inkomen’. De minister stelde voor om, naast een bedrag per jongere, drie nieuwe verdeelmaatstaven te introduceren: lage inkomens zónder de gepensioneerden, het aantal eenoudergezinnen en het aantal huishoudens met een lage opleiding. Verwacht werd dat deze maatstaven goede voorspellers zouden zijn van de kosten die een gemeente maakt voor jeugdzorg. Uit nadere analyse is gebleken dat deze maatstaven ertoe zouden leiden dat gemeenten in één deel van Nederland veel meer uit het gemeentefonds krijgen dan ze uitgeven en gemeenten in een ander deel juist veel minder. Dit model moet nog verder worden uitgewerkt voordat het kan worden gebruikt. Niettemin worden er een paar kleine aanpassingen doorgevoerd. Dit heeft maar een beperkt effect op de algemene uitkering van de individuele gemeenten.
Begrotingsadvies VNG
Eerder al schreef BMC dat het Rijk geen structurele oplossing biedt voor de financiële problemen in de jeugdzorg. Gemeenten krijgen in hun nieuwe begrotingen steevast te maken met nieuwe tegenvallers waarvoor ze dekking moeten zoeken. Zo zijn de afgelopen jaren de kosten voor de jeugdzorg veel harder gestegen dan de inflatiecompensatie die de gemeenten ontvingen. De komende periode zal moeten blijken of deze trend zich doorzet. Als dat het geval blijkt te zijn, verslechtert het perspectief van gemeenten nog verder.
Ook de uitdagingen in het fysieke domein komen steeds prominenter op tafel. Denk aan de revitalisering van naoorlogse wijken, de noodzakelijke vervanging van civiele infrastructuur, de problematiek rondom de netcongestie en de stikstofproblematiek. Bovendien leidt de woningbouwopgave, naast de inzet van co-financiering, tot nieuwe structurele lasten voor gemeenten die onvoldoende gecompenseerd worden.
De VNG adviseert gemeenten in een begrotingsadvies om een stelpost op te nemen voor een eventueel tekort op de jeugdzorg. De provinciaal toezichthouders hebben aangegeven dat zij bij de beoordeling van de begroting niet akkoord kunnen gaan met een dergelijke stelpost zolang er geen zwart-op-wit toezegging van het kabinet is om de kosten volledig te compenseren. Daarnaast adviseert de VNG logischerwijs om een stelpost op te nemen voor de korting van € 1 miljard als gevolg van het schrappen van de huishoudelijke hulp. Immers, verwacht mag worden dat hier ook lagere kosten tegenover zullen staan. Het is nog onzeker of de toezichthouders deze stelpost zullen toestaan. Dit moet bestuurlijk nog geaccordeerd worden. Als de toezichthouders dit niet toestaan, legt dit een bom onder de huidige begrotingen. Dat zou betekenen dat een gemiddelde gemeente van 40.000 inwoners in de meerjarenbegroting vanaf 2029 nog eens € 2 miljoen aanvullend moet bezuinigen. Het is van belang dat gemeenten en toezichthouders hierover snel op één lijn komen.
Zeven handreikingen voor beleidsvorming
Gemeenten staan voor de complexe opgave om richting te geven aan het beleid voor de komende vier jaar. Vanuit het coalitieakkoord is er namelijk weinig perspectief op nieuwe middelen. In onze analyse van het coalitieakkoord geven we concrete handreikingen om gemeenten hierbij te helpen.
Meer informatie
Wilt u meer weten over deze analyse of informatie over hoe wij gemeenten begeleiden bij hun financiële strategie? Neem voor meer informatie of een vrijblijvend gesprek contact op met Erwin Ormel.