16 jun. 2026

Gemeenten aan zet na EU Asiel- en Migratiepact

Een onderscheid tussen verdragsvluchtelingen en oorlogsvluchtelingen, minder lang geldige asielvergunning, beperken van gezinshereniging en een financiële bijdrage om de Europese buitengrenzen te ontlasten. Dat is slechts een greep uit de maatregelen die volgen uit de Nederlandse invulling van het Europese Asiel- en Migratiepact. Wat is het perspectief voor gemeenten die midden in de uitvoeringspraktijk staan?

Op 12 juni 2026 trad het Europese Asiel- en Migratiepact in werking. Daarmee ondergaat het Nederlandse en Europese asielstelsel de grootste hervorming in ruim 25 jaar. Tegelijkertijd staat de asielketen onder druk én in het centrum van maatschappelijke discussie. Het pact is op Europees en nationaal niveau vastgesteld, maar de uiteindelijke maatschappelijke impact ligt bij de gemeenten. Zij hebben bijvoorbeeld te maken met opvang en mensen die zich aan het gezag onttrekken. Hierdoor ontstaat druk van alle kanten op een uitvoeringsketen die al jaren onder spanning staat. Wat betekent dit voor gemeenten?

 

De kern van het migratiepact en nationale beleidskeuzes

De kern van de Europese hervorming is een verschuiving van een versnipperd, nationaal ingericht systeem naar een geharmoniseerd Europees stelsel. Dit betekent kortere, juridisch striktere termijnen, verplichte vroege screening op identiteit, gezondheid en veiligheid en een snelle beoordeling van aanvragen. Door de uniformering worden rechten en plichten van asielzoekers op tal van onderdelen gelijkgetrokken. Ook komt er een onderscheid tussen kansrijke en kansarme aanvragen. Die verdeling bepaalt onder andere de vorm van opvang. Kansrijke asielzoekers krijgen sneller toegang tot taallessen, werk en onderwijs, in Nederland na drie maanden. Deze regels gelden niet voor mensen die zijn doorgereisd binnen de EU of voor kansarme aanvragers van asiel.

Dat zijn de Europese afspraken, maar die zijn slechts een deel van het verhaal. Iedere lidstaat kan aanvullend nationale keuzes maken. Nederland maakt maximaal gebruik van de nationale beleidsruimte om het beleid aan te scherpen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om: 

  • Invoering van het tweestatusstelsel: Er komt een expliciet onderscheid tussen verdragsvluchtelingen en subsidiair beschermden (oorlogsvluchtelingen). Voor deze laatste groep gelden strengere voorwaarden voor gezinshereniging.

  • Verkorte geldigheid asielvergunning: De tijdelijke vergunning wordt ingekort van 5 naar maximaal 3 jaar, en de vergunning voor onbepaalde tijd wordt volledig afgeschaft. Na 3 jaar volgen herbeoordelingen en mogelijke nieuwe juridische procedures.

  • Schrappen van processtappen: De voornemenprocedure en het aanmeldgehoor worden geschrapt. De IND legt direct een definitieve beschikking neer, waarna meteen de beroepsfase start. Er is sprake van een harde knip: dit geldt ook voor reeds lopende procedures.

  • Inperking nareis (gezinshereniging): De mogelijkheid tot nareis voor meerderjarige kinderen en ongehuwde partners wordt volledig geschrapt. Nareis is enkel nog mogelijk voor het absolute kerngezin.

  • Financiële solidariteit: Om de Europese buitengrenzen te ontlasten, kiest Nederland ervoor om financieel bij te dragen in plaats van extra asielzoekers op te nemen.

 

Hoe heeft het EU Asiel- en Migratiepact invloed op gemeenten?

Hoewel het Rijk de kaders vaststelt, landen de gevolgen op het bordje van de gemeente. De impact wordt voelbaar op een aantal aspecten:

  1. AZC-locaties voor versnelde procedure. De verwachting is dat er AZC-locaties komen voor opvang van asielzoekers die weinig kans maken op een vergunning of die na hun aanvraag binnen de EU zijn doorgereisd. De maatschappelijke stemming rond de realisatie van reguliere asielopvang en de soms complexe operationele afstemming met het COA kunnen de inrichting van dergelijke locaties belemmeren. Daarnaast bestaat de kans dat juist de asielzoeker die weinig kans heeft op een status, zich aan het gezag onttrekt met mogelijk overlast en criminaliteit tot gevolg. 

  2. Vroegtijdige activering en de wachtstand. Vanuit de Europese kaders moeten kansrijke asielzoekers na drie maanden toegang krijgen tot de arbeidsmarkt en onderwijsvoorzieningen. Het kabinet heeft nog geen formele beslissing genomen over de vraag welke instantie de regie voert (UWV, Werkcentrum, gemeente of COA), maar hier ligt een directe kans voor gemeenten. Door al ín de opvanglocaties te starten met profielschetsen en vroege arbeidsmarktscreening, is te voorkomen dat nieuwkomers bij statusverlening in een langdurige bijstandssituatie belanden.

  3. Huisvesting en onvoorspelbare woningbehoefte. Door de inperking van de nareisregels voor meerderjarige kinderen en partners verandert de lokale woningbehoefte. In plaats van gezinswoningen kan de vraag stijgen naar kleinere, individuele wooneenheden. Dit maakt de lokale planning voor vervolghuisvesting onvoorspelbaarder dan deze nu al is, terwijl de druk op de socialewoningmarkt onverminderd hoog blijft. Het vraagt om voldoende differentiatie in het woningaanbod of vormen van woning delen (beter benutten van de bestaande voorraad).

  4. Inburgering onder druk. De verkorte duur van drie jaar voor een verblijfsvergunning botst met de logica van de Wet inburgering 2021. Deze wet richt zich op meedoen, op een zo hoog mogelijk taalniveau, liefst door middel van betaald werk. Wat daarvoor nodig is, leggen gemeenten vast in het Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). Dit vormt de start voor inburgering die vervolgens drie jaar duurt. Hoe motiveer je statushouders mee te doen als het verblijfsperspectief onzeker is? 

  5. Sociale cohesie en de impact op inburgering. De introductie van herbeoordelingen na drie jaar brengt een grote mate van tijdelijkheid en onzekerheid met zich mee voor de status van nieuwkomers. Vanuit het perspectief van de gemeentelijke uitvoering kan het ontbreken van langetermijnperspectief een risicofactor zijn voor de inburgering. Deze onzekerheid kan bovendien de bereidheid om in te burgeren en mee te doen aan de maatschappij verminderen. Ook vergroot het de kans op mentale problemen bij de doelgroep. Dit vraagt extra inzet en alertheid van inburgeringsconsulenten, vluchtelingenwerk, lokaal welzijnswerk en maatschappelijke partners rondom de sociale cohesie in de wijken.

Wat hiermee samenhangt, is dat de IND voorrang geeft aan de afhandeling van nieuwe aanvragen door de korte juridische termijn die hieraan verbonden is. Daardoor kan de beslistermijn voor asielzoekers die nu in procedure zitten oplopen tot vijf jaar, terwijl zij soms al twee jaar of langer in afwachting van een beslissing zijn. Dat vraagt om extra opvangcapaciteit, maar doet ook wat als iemand status krijgt en dan pas kan beginnen met inburgeren, nog los van eventuele gevolgen rond gezinshereniging.

 

Voer regionaal het goede gesprek over de Spreidingswet

De Spreidingswet zorgt in de praktijk voor een complexe bestuurlijke spagaat. Landelijk geldt de wettelijke verplichting om aan de taakstelling te voldoen, maar lokaal stuit realisatie steeds vaker op politieke weerstand en zorgen van inwoners.

Uit de lokale coalitieakkoorden volgt een grote diversiteit aan politieke standpunten rond asielopvang. Welke lokale koers een gemeente ook kiest, de opvangopgave vraagt altijd om regionale afstemming. Gemeenten kunnen in de Spreidingswet als regio samen voldoen aan de taakstelling. Daarvoor is een gedeelde regionale visie belangrijk en zijn er concrete afspraken nodig: Wie biedt welke opvang aan en onder welke voorwaarde? Als een coalitie geen asielopvang in de eigen gemeente wil, betekent dat strategische onderhandelingen aan de provinciale regietafels over wie die opvang dan gaat realiseren. 

Nieuwe, langdurige opvangvormen vragen bovendien een bredere afweging. Er is ook andere kennis en expertise nodig, zoals rondom openbare orde en veiligheid of bemiddeling naar werk. Zorg er daarom voor dat deze afwegingen niet alleen ambtelijk worden uitgewerkt, maar dat er ook sprake is van een gedegen bestuurlijke voorbereiding om het proces lokaal in goede banen te leiden. 

 

Pak lokaal de regie rond het Asiel- en Migratiepact 

Naast de uitvoering van Spreidingswet en de gevolgen op regionaal niveau, vraagt het EU Asiel- en Migratiepact ook op lokaal niveau het een en ander van de organisatie. Hierbij geven we drie perspectieven die daarbij kunnen helpen.

  1. Van crisisorganisatie naar permanent programmateam. Niets is zo permanent als tijdelijkheid. Ad-hocstructuren zorgen voor frictie tussen afdelingen en verlies van kennis. Een programmatische aanpak zorgt voor het doorbreken van de hiërarchische traagheid en verbindt het fysieke en sociale domein, maar ook bedrijfsvoering en veiligheid. Zorg voor een bestuurlijke opdracht of mandaat en één bestuurlijke opdrachtgever vanuit het college. Een programma- of projectteam kan de opdracht concreet handen en voeten geven, zorgen voor brede kennis en expertise uit de organisatie en deze binnen de aanpak borgen. Dat leidt ook tot integrale voorstellen aan de gemeenteraad.

  2. Versnel de transitie naar doelgroepflexibele huisvesting. De veranderende woningbehoefte vraagt om creatieve ruimtelijke oplossingen. Langjarige keuzes dragen bovendien bij aan een betrouwbaar participatieproces met de omgeving. Keuzes rondom huisvesting van doelgroepen vragen ook regionale afstemming via het volkshuisvestingsprogramma. Daar kunnen ook woonoplossingen als flexwonen en woningdelen een plek krijgen. Gebruik dit programma om samen met woningcorporaties en andere partijen te kijken welke locaties snel bouwrijp of transformatieklaar zijn te maken. Het Rijk kent hier uiteenlopende regelingen voor. 

  3. Meedoen vanaf dag één. Wacht niet tot de statushouder aan de gemeente gekoppeld is, maar begin de Brede Intake al in de opvanglocatie. Sluit lokaal of regionaal een convenant met grote werkgevers en branches met kansberoepen (zorg, techniek, logistiek) voor leer-werktrajecten op maat. Dit past in de lijn die de minister ook voor zich ziet rond nieuwkomers en werk (Startnotitie Werk en Meedoen Nieuwkomers). Richt de werkprocessen van het Werkcentrum en de sociale dienst zo in dat de Brede Intake en de arbeidsmarktscreening (Z-route, B1-route en onderwijsroute) starten zodra de asielzoeker kansrijk is (vóór de definitieve status) en stem de activiteiten daarop af. Werk kan ook een reden zijn om een statushouder aan een gemeente of regio te koppelen.
     

Klaar voor de volgende stap?

De gevolgen van het EU Asiel- en Migratiepact zullen voor elke gemeente voelbaar zijn. Het is goed om voorbereid te zijn op wat dit van de organisatie vraagt. De bovenstaande perspectieven kunnen helpen de aanpak aan te scherpen op het gebied van organisatie, opvang en huisvesting of arbeidsmarkt en inburgering. 

Welk vertrekpunt u ook kiest, het geeft een fundament om aan de slag te gaan met de (lokale) gevolgen van het EU Asiel- en Migratiepact. De adviseurs en interim-professionals van BMC ondersteunen overheden en gemeenten dagelijks bij het herinrichten van deze werkprocessen, het voeren van de regionale ketenregie rondom opvang- en huisvestingsopgaven en het transformeren van crisismanagement naar een duurzame lijnorganisatie.

 

Meer informatie

Wilt u verder praten over de gevolgen van het EU Asiel- en Migratiepact voor uw gemeente of de inrichting van uw nieuwkomersprogramma? Neem gerust contact op met onze managing consultants Bert Peterse, Emma van de Schoor of Marieke Tetteroo.

 

PUBLICATIE SOCIAAL-DOMEIN INBURGERING

Bert Peterse Sociaal domein managing consultant 06 - 12 29 72 90
contactperson Image
Emma van de Schoor van de Schoor
contactperson Image
Marieke Tetteroo Sociaal domein managing consultant 06 - 57 03 37 88