7 okt. 2026
Wat motiveert de inburgeraar en wat kan de gemeente doen?
Hoe zorgt u er als gemeente voor dat een inburgeraar gemotiveerd aan zijn inburgeringstraject begint en blijft? Gemeenten zetten binnen de Wet inburgering 2021 een breed palet aan instrumenten in om nieuwkomers te begeleiden naar een succesvolle start. Maar wat voor de gemeente vanuit beleid en uitvoering een logische stap is, kan door een inburgeraar heel anders worden ervaren. De afstand tussen de Nederlandse 'systeemlogica' en de leefwereld van een statushouder kan groot zijn. Daarom is het perspectief van de inburgeraar onmisbaar. Waar monitors en datadashboards vertellen wat er gebeurt, geven de ervaringen van inburgeraars inzicht in waarom beleid wel of niet werkt. Regioplan, OpenEmbassy en BMC voeren in opdracht van SZW het meerjarige onderzoek Perspectief van de inburgeraar uit. Daarin staan deze ervaringen centraal om te toetsen of de doelen van de Wet inburgering 2021 ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Dit najaar volgt de laatste onderzoeksronde. Wat leren de onderzoeken tot nu toe over de ervaringen en motivatie van inburgeraars? En welke aanknopingspunten biedt dat gemeenten voor hun eigen uitvoeringspraktijk?
Zo brengt het onderzoek de ervaringen van inburgeraars in beeld
Om de onderzoeksresultaten goed te kunnen duiden is het eerst belangrijk om te weten hoe het perspectief van de inburgeraar in kaart is gebracht. Binnen het landelijke onderzoek kiezen we bewust voor een 'mixed-methods'-benadering om de kloof tussen systeemwereld en leefwereld te overbruggen. Harde cijfers uit vragenlijsten verrijken en duiden wij daarbij met verhalen uit diepte-interviews en focusgroepen.
De basis van het onderzoek bestaat uit brede vragenlijsten. Deze zijn vooraf getest, opgesteld op A2-taalniveau en beschikbaar in vijf talen. Omdat een deel van de inburgeraars moeilijk bereikbaar is om de vragenlijst digitaal in te vullen, hebben wij aanvullende acties ingezet. BMC bemiddelde naar gemeenten en maatschappelijke organisaties om het onderzoek en de vragenlijst verder te verspreiden. Op enkele plekken zijn vragenlijsten bovendien tijdens taallessen of andere activiteiten ingevuld om zo een deel van de inburgeraars te bereiken en een goed beeld te krijgen.
In de focusgroepen en interviews zorgt de inzet van meertalige interviewers en ervaringsdeskundigen ervoor dat de taal- en cultuurbarrière lager wordt. Daardoor ontstaat meer inzicht in de daadwerkelijke pijnpunten en succesfactoren in het inburgeringstraject. Deze aanpak levert geen eenmalige momentopname op, maar laat de inburgering als een dynamisch geheel zien. Het onderzoek biedt daardoor niet alleen cijfers, maar ook het verhaal erachter. Die combinatie maakt de bevindingen relevant voor de lokale uitvoeringspraktijk.
Wat wil de overheid met de wet bereiken?
Het maatschappelijke doel van de Wet inburgering 2021 is dat inburgeraars snel en volwaardig meedoen in de Nederlandse maatschappij, het liefst via betaald werk. Daarbij staat het streven naar het hoogst mogelijke taalniveau centraal. Maar taal alleen is niet genoeg: het gaat ook om kennis van de Nederlandse maatschappij. Om dit te bereiken staan in de uitvoering van de wet vijf uitgangspunten centraal: tijdigheid, snelheid, maatwerk, dualiteit en kwaliteit. Bij het beoordelen van het succes daarvan is het perspectief van de inburgeraar onmisbaar. Een monitor of datadashboard kan de inzet van een instrument laten zien, maar niet hoe de inburgeraar dat instrument ervaart en of het in de praktijk bijdraagt aan het doel.
Om nieuwkomers te begeleiden naar een succesvolle start zetten gemeenten een breed palet aan instrumenten in. Dit begint meestal pas na de huisvesting met een brede intake en leerbaarheidstoets, waarna de gemeente een Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) opstelt. Vervolgens starten inburgeraars met een van de drie leerroutes: de B1-, Z- of Onderwijsroute, gecombineerd met verplichte participatiemodules en examens. Naast deze trajecten bieden gemeenten intensieve maatschappelijke begeleiding en financiële ontzorging om de zelfredzaamheid te vergroten. Via regelmatige voortgangsgesprekken en eventuele handhaving, zoals bestuurlijke boetes, houden gemeenten grip op een tijdige afronding van het traject.
Maar hoe ervaren inburgeraars deze instrumenten zelf? En dragen ze vanuit hun perspectief bij aan de doelstellingen van de wet?
De waardering verandert tijdens het traject
Een opvallende uitkomst van het onderzoek is dat de waardering voor instrumenten daalt naarmate het inburgeringsproces vordert. Inburgeraars zijn overwegend positief over de brede intake omdat ze zich gehoord voelen, maar zijn kritischer over het PIP en de leerroutes. De waardering van een instrument hangt bovendien sterk samen met de achtergrond van de nieuwkomer. Bij de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) zijn de praktische tips bijvoorbeeld waardevol voor asielmigranten, terwijl gezinsmigranten de meerwaarde soms missen, omdat die vaak al werk hebben.
Ook de financiële ontzorging levert een dubbel beeld op. Inburgeraars waarderen de rust die dit biedt, maar willen niet passief aan de zijlijn staan. De behoefte om zelf financieel redzaam te worden is groot.
Bij de Z-route ontstaat een ander punt van frictie: deelnemers raken vaak gefrustreerd wanneer zij ontdekken dat hun inspanningen niet direct de deur openen naar naturalisatie. Ook de examinering levert problemen op. Kandidaten ervaren lange wachttijden voor B1- en B2-examens en signaleren regelmatig een zorgelijke kloof tussen wat zij in de les leren en wat uiteindelijk op het examen van hen wordt gevraagd.
Motivatie groeit met eigen regie en perspectief
Dwars door de specifieke bevindingen heen loopt een aantal rode draden. De eerste is dat dé inburgeraar niet bestaat. Ervaringen verschillen afhankelijk van onder meer leerroute, leeftijd, opleiding, gezondheid, achtergrond – asielmigrant of gezinsmigrant – en persoonlijke situatie. Maatwerk is daarmee geen luxe, maar een noodzaak.
Tegelijkertijd is er een duidelijke gemene deler voor succes: de mate waarin het traject aansluit op de eigen ambities van de inburgeraar. Zodra een inburgeraar meer eigen regie en perspectief ervaart, groeit de motivatie. Die motivatie is geen statisch gegeven. Waar de start vaak hoopvol is, kan dat later in het proces nogal eens omslaan in stress, bijvoorbeeld onder druk van examens en voortgangsgesprekken. Ook dit is geen wetmatigheid, maar hangt samen met verschillende factoren.
Ook de combinatie van werken en leren blijkt in de praktijk niet eenvoudig. Voor veel inburgeraars is het lastig om dit te combineren. Bovendien biedt de werkvloer niet automatisch voldoende mogelijkheden om de taal te oefenen of de begeleiding die daarvoor nodig is. Vooral mensen in de B1-route hebben het idee dat de inburgering hen niet genoeg in staat stelt om werk op hun eigen niveau te vinden.
Verder blijft het nodige informele contact, op de werkvloer, in de buurt en op andere plekken, vaak uit. Daarnaast vormen wachttijden een bron van frustratie. Voor inburgeraars is dat letterlijk 'verloren tijd'. Die wachttijden ontstaan onder andere doordat onderdelen van het inburgeringsproces na elkaar plaatsvinden.
Wat kan een gemeente doen?
De landelijke bevindingen bieden gemeenten verschillende aanknopingspunten om de eigen uitvoeringspraktijk tegen het licht te houden. Daarbij is het belangrijk om steeds te kijken naar de lokale context en de persoonlijke situatie van inburgeraars. Zo kunt u onderzoeken in hoeverre er in uw gemeente sprake is van wachttijden en wat u kunt doen om die te verminderen. Ook is het relevant om na te gaan hoe inburgeraars de brede intake ervaren en of u daar alles uit haalt.
Is er een AZC in uw gemeente en verblijven daar statushouders die aan uw gemeente zijn gekoppeld? Dan kunt u een vroege start overwegen. Ook de leeftijdsopbouw van de groep inburgeraars kan aanleiding zijn om andere keuzes te maken. Als er bijvoorbeeld veel jonge statushouders moeten inburgeren, kunt u voor specifieke interventies in de begeleiding kiezen.
Daarnaast hebben veel inburgeraars te maken met gezinshereniging. De wijzigingen rondom gezinshereniging vanuit het EU Asiel- en Migratiepact geven bijkomende zorgen. Werkt een inburgeraar en zijn er signalen over verzuim van de taallessen, dan is er mogelijk een risico op uitval.
Hoewel het om landelijk onderzoek gaat, geeft het daarmee veel aanknopingspunten om lokale afspraken en werkprocessen te betrekken bij evaluaties en aanpassingen.
Van inzicht naar de dagelijkse praktijk
Het perspectief van de inburgeraar laat zien dat het succes van inburgering niet alleen samenhangt met de inzet van instrumenten, maar ook met de manier waarop inburgeraars het traject ervaren. Maatwerk, eigen regie, perspectief, wachttijden en de combinatie van werken en leren spelen daarbij een belangrijke rol.
Een lokaal lerend stelsel is dan ook niet compleet zonder de stem van de nieuwkomer. Gemeenten kunnen deze factoren meenemen in hun lokale uitvoeringspraktijk en er binnen hun lokaal lerend stelsel aandacht aan besteden. In het derde artikel vertalen we deze inzichten verder naar de dagelijkse praktijk: aan welke knoppen kunt u als gemeente draaien om uw processen zo in te richten dat de inburgeraar zich niet alleen gehoord voelt, maar ook daadwerkelijk sneller zijn weg vindt in onze samenleving? Hoe valt dat samen met de doelstelling van het krijgen, hebben en houden van betaald werk? En hoe hangt dit samen met de ontwikkelingen in de keten van asiel, migratie en inburgering? Kortom: wat kunt u concreet doen?
Meer lezen?
Lees rapport: Inburgeren door de ogen van nieuwkomers
Lees rapport: Uitkomsten 2023 - 2024: Onderzoek perspectief inburgeraars
Lees rapport: Uitkomsten 2024 - 2025: Onderzoek perspectief inburgeraars
Meer weten?
Neem voor meer informatie of een vrijblijvend gesprek contact op met Bert Peterse of Lonneke van Riele.
Meer informatie?
Neem contact met ons op