Blog: Samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs: evalueren én monitoren?

Door Tammy Lie

Ruim twee jaar na de invoering van de Wet op Passend Onderwijs zijn er mooie stappen gezet. Er is ook ruimte voor verbetering, zo bleek uit de tiende voortgangsrapportage Passend Onderwijs. De invoering wordt uitgebreid gevolgd via een landelijk evaluatieprogramma, met een kortetermijnevaluatie, een tussenevaluatie en een meerjarige evaluatie. Ook samenwerkingsverbanden zijn bezig zichzelf te evalueren en denken na over hun volgende beleidsperiode. Maar hoe staat het ervoor met de monitoring in het kader van continue kwaliteitsontwikkeling? Monitoren, is dat iets anders dan evalueren?

Staatssecretaris Dekker opent zijn Kamerbrief van 6 december jl. met het uitspreken van waardering voor het harde werken en de inspanningen van betrokkenen bij het realiseren van passend onderwijs. Er gebeuren al goede dingen in het land. Tegelijkertijd roept de tiende voortgangsrapportage ook vragen op: Zijn we in staat om passend onderwijs te bieden, zodat leerlingen niet thuiszitten? Is er daadwerkelijk sprake van een dekkend aanbod? Zijn leerkrachten voldoende toegerust? En slagen we erin om de bureaucratie te verminderen? Als er geld ‘op de plank blijft liggen’, waaraan moeten we dit dan besteden? Naar mijn idee zijn dit geen vragen die je aan het einde van het schooljaar of pas bij herziening van het ondersteuningsplan na vier jaar wilt beantwoorden, maar zaken waar direct op ingespeeld moet worden. Kinderen kunnen niet vier jaar wachten, maar hebben vandaag zo goed mogelijke ondersteuning nodig om zich optimaal te kunnen ontwikkelen.

Het valt mij op dat monitoring en evaluatie vaak in één adem worden genoemd in de ondersteuningsplannen. In de praktijk zien we dat evaluaties wel worden uitgevoerd, maar dat monitoring echt nog in de kinderschoenen staat. Evalueren is belangrijk, maar suggereert ook dat je alleen terugkijkt. De definitie volgens van Dale is: ‘achteraf bespreken om ervan te leren’. Actuele (sturings)informatie is van belang voor kwaliteitsontwikkeling en die verzamel je niet door te evalueren, maar door te monitoren. Monitoren zie ik als ‘vinger aan de pols houden’, een continu proces gericht op het bewaken van de voortgang. Evalueren is het bepalen van de waarde van processen, resultaten en effecten: ‘terugkijken om te leren voor de toekomst’. Beide zijn dus belangrijk en waardevol.

Het ontwikkelen van een meetinstrument, zoals een monitor, start met de doelstellingen van het samenwerkingsverband. Dus eerst terug naar de bedoeling of, in de bekende woorden van Simon Sinek: ‘Start with Why’. Waarom zijn samenwerkingsverbanden opgericht? Wat willen we met elkaar bereiken? Lukt het om op basis van de gestelde doelen te komen tot een set indicatoren op basis waarvan we kunnen vaststellen of we de goede dingen doen en of we de dingen op de goede manier doen? We hebben het dus over waarden, effectiviteit en efficiëntie.

Waarom monitoren?
Deze aspecten die ik benoem kun je toch ook gewoon meenemen in een evaluatie? Dat zou ik ook zeker adviseren. Waarom dan ook monitoren? Monitoren kan verschillende doeleinden hebben. Monitoren heeft allereerst als doel om te signaleren – weten wat er gebeurt door het in kaart brengen van de situatie of het uitvoeren van een meting. Ten tweede levert een monitor actuele sturingsinformatie op; afhankelijk van de indicatoren kan het gaan om beleid, financiën, kwaliteit of risicobeheersing. Verder kan een monitor ook inzichten verschaffen om te leren en (jezelf) te ontwikkelen als organisatie, leidinggevende of professional. Dus wacht niet totdat je het beleid of het ondersteuningsplan hebt herzien, maar ga meteen de (uitvoerings)praktijk verbeteren. Tot slot kan informatie van een monitor gebruikt worden om verantwoording af te leggen. Om (maatschappelijke) effecten te kunnen aantonen moet je even geduld hebben, maar als indicatoren voortkomen uit de eigen doelstellingen geeft een monitor inzicht in de mate waarin je deze behaalt of hoe ver je op weg bent richting de stip aan de horizon. Aan de hand van een aantal voorbeelden licht ik de verschillende monitoringsdoelen toe.

monitoren

Een aantal voorbeelden van indicatoren
Eerst twee voorbeelden die gaan over ‘het doen van de juiste dingen’. Een voor de hand liggende indicator is het aantal thuiszitters. Een van de doelstellingen van passend onderwijs is het terugdringen of voorkomen van het aantal thuiszitters. Een afname van het aantal thuiszitters zegt iets over de mate waarin het reguliere onderwijs leerlingen (die extra ondersteuning nodig hebben) een zo passend mogelijk onderwijsprogramma biedt. Waar willen we dan precies op uitkomen om te kunnen zeggen dat we deze doelstelling hebben bereikt? De ambitie uit het thuiszitterspact zou een goede maatstaaf kunnen zijn: in 2020 zijn er geen leerlingen die langer dan drie maanden thuiszitten. Je wilt allereerst signaleren hoe het er nu voorstaat: hoeveel thuiszitters zijn er en hoelang gaan ze niet naar school? Daarnaast kun je hierop sturen door samenwerking met de gemeente om tot een sluitende aanpak te komen. Wellicht wil je binnen je eigen regio de thuiszittersproblematiek nog scherper in beeld brengen om preventieve activiteiten in te zetten voor de specifieke doelgroep van leerlingen die dreigen uit te vallen. Welke kenmerken en risicofactoren horen dan bij deze problematiek en kun je dit monitoren in het kader van vroegsignalering?

Ten tweede hebben scholen bij de invoering van passend onderwijs een eigen schoolondersteuningsprofiel (SOP) opgesteld. Scholen kunnen in dit profiel aangeven welke extra ondersteuning de school kan bieden, in aanvulling op de basisondersteuning die alle scholen in het samenwerkingsverband bieden. Een school kan immers niet alle expertise in huis hebben. De SOP’s van de scholen in een samenwerkingsverband behoren gezamenlijk een dekkend netwerk van ondersteuning te vormen. Maar, wat is dan dekkend? Te denken valt aan definities zoals ‘kwantitatief toereikend’, ‘kwalitatief passend’ en ‘regionaal afgestemd’. Ten tweede is het, in het kader van een dekkend netwerk, van belang om naar arrangementen voor extra ondersteuning te kijken, bijvoorbeeld door het in kaart brengen van de ondersteuningsbehoefte van de leerlingenpopulatie en het aanbod van extra ondersteuning. Sturing vertaalt zich in de verdeling van middelen voor extra ondersteuning. Daarnaast moeten samenwerkingsverbanden verantwoording afleggen, ook over de besteding van middelen voor extra ondersteuning. In het ondersteuningsplan zijn afspraken (procedures en criteria) die de bevoegde-gezagsorganen over de verdeling, besteding en toewijzing van de middelen voor extra ondersteuning (inclusief een meerjarenbegroting) hebben vastgelegd. Dit vormt het kader van waaruit je gaat monitoren.

Dan een laatste voorbeeld bij de vraag ‘doen we de dingen op de goede manier?’ Afschaffing van landelijke indicatiecriteria voor speciaal onderwijs en leerlinggebonden financiering (lgf) heeft tot doel bureaucratie te verminderen en meer maatwerk mogelijk te maken. Dit heeft ook te maken met de organisatie van de toewijzing. Het monitoren van doorlooptijden in de procedure en het aantal leerlingen op wachtlijsten is een manier om te signaleren dat de toewijzing onvoldoende efficiënt is ingericht. Op basis hiervan kun je (bij)sturen op procedures rond de toewijzing of bijvoorbeeld de geldigheidstermijn van TLV’s verlengen bij evidente en complexe problematiek en herindicaties, zoals ook al voorgesteld in een landelijke bijeenkomst van scholen, samenwerkingsverbanden, de Inspectie van het Onderwijs en het Ministerie van OCW begin 2016.

Nog interessanter wordt het wanneer je hier ook een kwalitatieve component aan toevoegt, bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe ouders en leerlingen de transparantie en deskundigheid in de toewijzing ervaren. Dat kan ook aanleiding zijn om bij te sturen of er kan iets zijn waarover je je wilt verantwoorden. Tegelijkertijd biedt dit ook inzicht in leer- en ontwikkelpunten voor de organisatie en professionals: Hoe kun je ouders beter begeleiden in dit traject? Welke informatie hebben ouders en leerlingen nodig? Op welke manier houd je rekening met de wensen van ouders en stem je zorgvuldig af?

Maak een kosten-en-batenafweging
Dit zijn een aantal voorbeelden van indicatoren die bij veel samenwerkingsverbanden onderdeel kunnen zijn van een monitor. Wat altijd van belang is, is te voorkomen dat je veel tijd en energie steekt in het meten en vastleggen van gegevens die weinig van toegevoegde waarde zijn. Een belangrijke afweging is dan ook wat een monitor vraagt aan registratie. Is er al informatie voorhanden waar je gemakkelijk gebruik van kunt maken? Of kun je in je bestaande systemen en processen een kleine aanvulling doen om registratie gemakkelijk te integreren? Daarnaast is het van belang om na te denken over de meetfrequentie – hoe realtime wil je je informatie maken? En het ontsluiten van informatie uit de monitor – kies je voor een dashboard of voor kwartaalrapportages? Om deze afwegingen te maken, kan het waardevol zijn om te starten met een nulmeting. Daarin breng je de uitgangssituatie in beeld, ontdek je hoeveel inspanning het ‘vullen van een monitor’ vergt en last but not least wat monitoring oplevert. Overigens is mijn ervaring dat het gesprek dat op gang komt over de inhoud van een monitor al een mooie uitkomst op zich is. Hoe meer je een organisatie betrekt bij de ontwikkeling van een monitoringsinstrument, hoe groter de betrokkenheid is bij het voortdurende proces van kwaliteitsontwikkeling.

Tammy Lie is adviseur Onderwijs en Jeugd. In haar adviespraktijk zet zij verschillende vormen van onderzoek in om opdrachtgevers te helpen aan goede sturingsinformatie en in hun zoektocht naar oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Dit doet zij onder andere door middel van cocreatie van monitoringsinstrumenten waarmee organisaties zelf aan de slag kunnen.

Naar contact

Contact opnemen

Meer weten over onze professionals?
Neem contact met ons op.

Voor meer informatie en/of een vrijblijvende afspraak, kunt u contact opnemen met een van onze medewerkers. Vul hiervoor het contactformulier aan de rechterkant in.