Wilt u meer informatie?
Bel 033 - 496 52 00
of mail naar info@bmc.nl
Klik hier voor het contactformulier

Samenwerking in het kwadraat!
Vooruitlopend op het grote jongerencongres van Divosa op 19 mei in Rotterdam (http://www.divosa.nl/actueel/agenda/jongerencongres-2010-eerst-kunnen-da...) en het congres Sociaal Beleid van BMC op 17 juni aanstaande, organiseerde Divosa samen met BMC een tweetal bijeenkomsten voor de keten rondom jongeren. Rode draad tijdens de tweede bijeenkomst op 21 april 2010 was: Samenwerking rondom jongeren is een must en niet langer vrijblijvend. Drie sprekers reflecteerden ieder vanuit hun eigen rol en kennis op de betekenis daarbij van de Wet investeren in jongeren (WIJ) voor risicojongeren.


Het doel van de bijeenkomst was tweeledig:
1. het debat op gang brengen over de noodzakelijke attitudeverandering bij de professionals voor succesvolle interventies bij en ondersteuning van jongeren;
2. het, aan de hand van praktijkervaring, beter inzicht krijgen in het belang en de mogelijkheden van samenwerking rond de wet WIJ en – meer specifiek – de zogenaamde niet-melders en risicodoelgroepen.
Vragen die bij de aanwezige deelnemers aan het congres en samenwerkende partners in het land centraal stonden waren: Hoe verbind je deze jongeren aan de arbeidsmarkt? Hoe voorkom je dat uitval in de leeftijd tot 27 jaar leidt tot structurele instroom in de WWB? Welke rol spelen verschillende partijen daarbij? Heeft preventie nog zin bij jongeren van 16 tot 27 jaar?
Samenwerking in het kwadraat
Het door BMC in samenspraak met DIVOSA opgestelde programma viel duidelijk in de smaak. Getuige de grote opkomst en diversiteit van de deelnemers. Zij vertegenwoordigden een breed spectrum van organisaties die zich bezig houden met de doelgroep van de wet WIJ: bestuurders, beleidmakers en uitvoerenden van UWV WERKbedrijf, re-integratiebedrijf en gemeentelijke sociale diensten tot maatschappelijke opvang voor zwerfjongeren namen actief deel aan het debat. Ook FNV Jong en CNV Jong lieten op dit congres van zich horen.
Sprekers
Drie landelijke sleutelfiguren, Lazlo van Donkelaar, landelijk kwartiermaker regionalisering onderwijs/arbeidsmarkt van het Ministerie van OCW. Ton Eimers, directeur en onderzoeker van Kenniscentrum Beroepsonderwijs en Arbeidsmarkt en Peter Paul Doodkorte, partner en senior-adviseur van BMC, voedden het debat met aansprekende presentaties over de samenwerking rondom jongeren in het onderwijs, de (jeugd)zorg en de verbinding met de arbeidsmarkt. Daarbij werden duidelijke parallellen getrokken tussen de ontwikkelingen die zich hebben voltrokken of voltrekken binnen de WIJ, het onderwijs en de jeugdzorg.
Keten of netwerk? Goede afspraken maken is wat telt
Lazlo van Donkelaar belichtte de thematiek vanuit zijn rol als kwartiermaker regionale samenwerking leerplicht en RMC voor het Ministerie van OCW en zijn kennis en ervaring met ketensamenwerking in de praktijk.
Samen de gaten in de keten dichten en de gemeenschappelijke ambitie met jongeren vaststellen is van belang om jongeren echt verder te kunnen helpen. Bij jongeren die de school voortijdig verlaten is dit extra van belang: nu investeren betekent dat voorkomen wordt dat jongeren straks definitief de WWB instromen.
Lazlo debatteerde dat de sociale zekerheid een ‘eindelijns-partner’ is voor de afdelingen leerplicht en RMC-regio’s die samenwerken aan de preventie van schooluitval. Een jongere komt bij sociale zaken terecht als deze al is uitgevallen. De samenwerking tussen sociale diensten en RMC-regio’s is van belang om te zorgen dat jongeren verder kunnen met hun leven.
De Wet Regionale Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (RMC) vormt in zekere zin een zwakke schakel in de keten: de Wet RMC gaat uit van het vrijwillig meewerken van jongeren aan hun terugkeer naar school en van vrijblijvendheid voor jongeren, wanneer zij gebruik maken van begeleiding of met RMC-middelen gefinancierde voorzieningen.
Bij de WIJ is dat anders: jongeren hebben een keuze om een werkleeraanbod te aanvaarden, maar zij zijn gebonden aan de verplichtingen die daarbij horen om voor het werkleeraanbod en voor de aanvullende inkomensvoorziening in aanmerking te komen.
Er is de afgelopen jaren een groot accent gelegd op verbetering van de registratie binnen leerplicht en RMC. Een administratie is echter nooit 100% sluitend, er blijven altijd uitzonderingen die niet in beeld zijn. Samenwerking is daardoor van essentieel belang.
Vanuit de deelnemers aan het congres kwam de vraag of samenwerken wel in ketens moet en of netwerksamenwerking niet meer van deze tijd is. Uitgangsgedachte bij een ketensamenwerking is hierbij dat het gaat om partners die in volgordelijke zin samenwerken: zij volgen elkaar op in een traject dat een jongere doorloopt. Dit is in de praktijk lang niet altijd zo.
“Ketensamenwerking” of “netwerksamenwerking” : het is beide jargon. Van belang is te onderkennen dat het gaat om samen goede afspraken maken over de te bereiken doelen en de inzet van elk van de samenwerkende partijen. Lazlo adviseert daarom: laat als samenwerkende partners het jargon en de terminologie los en maak goede afspraken met elkaar. Dat is wat telt.

Sleutels voor succes: de niet-melders in beeld!
Om samenwerking in de praktijk te laten slagen, is draagvlak bij de betrokkenen belangrijk. Niet de landelijke richtlijnen zijn van doorslaggevend belang, maar de uitvoeringspraktijk. Landelijke richtlijnen wijzigen, zo ook de financieringsstromen en taken van partijen. Het draagvlak bij betrokkenen is van doorslaggevende betekenis bij het behalen van de gestelde doelen. Wat betreft de regie: het is van wezenlijk belang dat er een aanspreekpunt en eindverantwoordelijke is. Deze rol kan per casus door een andere partij vervult worden.
Ook de fysieke vormgeving (een jongerenloket of welke andere vorm dan ook) is van ondergeschikt belang. Wat telt is samen een gedeeld instrumentarium creëren, dat van meerwaarde is om de gezamenlijke doelstelling te realiseren.
Een veelvoorkomend misverstand is de gedachte dat samenwerken meer geld kost. Feit is dat samenwerken goedkoper is: de som is meer dan het geheel der delen! Hierbij komt ook de vraag om de hoek kijken of niet-melders in de WIJ actief benaderd moeten worden en wat de kosten hiervan zijn. Samenwerken vereist wel een lange termijn visie van gemeenten en betrokken partijen. Deze andere manier van kijken, elkaar inspireren en vooruit helpen heeft voor alle partijen een meerwaarde.
In Friesland is men positief over het actief benaderen van niet-melders. Met een bus zoekt men jongeren die niet bekend zijn bij RMC, UWV of sociale dienst thuis op. Veel jongeren zijn bij een kort traject gebaat. Zij kunnen redelijk snel teruggezet worden op het spoor naar werk of scholing. De winst van deze korte trajecten is enorm: jongeren vallen niet langdurig uit door een korte vroegtijdige interventie. Het project wordt binnenkort uitgebreid.
Wanneer je niet-melders wilt bereiken is het bekend maken van de mogelijkheden voor jongeren om hulp en begeleiding te krijgen in de praktijk vrij eenvoudig. Het informeren van de directe partners waarmee je samenwerkt over de mogelijkheden voor jongeren, levert al extra toestroom van jongeren op. Verder werkt mond-tot-mondreclame onder jongeren zeer goed.
100% van de jongeren goed begeleiden is de nieuwe norm
Ton Eimers (directeur en onderzoeker van Kenniscentrum Beroepsonderwijs en Arbeidsmarkt) verrichtte veel onderzoek naar risicojongeren, niet-kunners en opstappers binnen het onderwijs. Hij onderscheidt drie groepen uitvallers:
1. De ‘opstappers’. Ze verlaten de school wanneer leren minder aantrekkelijk voor ze is dan werken. Opstappers kiezen ervoor om geld te verdienen, en laten het onderwijs (tijdelijk?) voor wat het is.
2. De “niet-kunners”. Voor hen is de traditionele leerweg te moeilijk. Misschien dat de ‘niet-kunners’ via alternatieve leerroutes uiteindelijk toch nog op hun plek komen.
3. De “overbelasten”. De grootste en de meest problematische groep. Tussen de 50 en 70 procent van de uitvallers behoort er toe. De groep die vaak door structurele sociale en emotionele problemen zich gedwongen voelt af te haken. Ondanks het feit dat ze misschien in staat zijn om een startkwalificatie te behalen.
Zijn stelling is dat niet iedere jongere een risicojongere is en niet iedere jongere die de school verlaat voordat hij een diploma heeft doet dit voortijdig.
Ton Eimers schetste in zijn presentatie de ontwikkelingen binnen het middelbaar beroepsonderwijs. In hoog tempo wordt hier een inhaalslag gemaakt. Het kostte 10 jaar om te zorgen dat MBO-instellingen zich verantwoordelijk voelden voor de zorg voor hun leerlingen en een verbreding van taken in dit kader wenselijk achten en aanvaarden. De focus binnen het onderwijs in algemene zin is in deze 10 jaar gewijzigd: het is niet meer van belang om een eenmalige good practice voor een beperkt aantal jongeren op te zetten, maar om structureel 100 % van de jongeren goed te begeleiden. Deze stap werd het eerst gemaakt door het voortgezet onderwijs. Zorgteams werden opgezet en alle leerlingen kregen voldoende begeleiding. Een enorme stap voor het onderwijs, waar aanvankelijk vooral het onderwijzen centraal stond.
Voor de uitvoering van de WIJ en de partners die elkaar hierbij kunnen aanvullen, is deze ontwikkeling binnen het (middelbaar) onderwijs van belang. In het jeugd- en onderwijsbeleid is de stap naar samenwerken en het stellen van gezamenlijke doelen al gemaakt. De sociale zekerheid kan hier veel van leren. De successen van deze werkwijze binnen het onderwijs zijn goed te benoemen en zijn inmiddels gemeengoed.
Breuklijn 18-jarigen: de preventieve en de curatieve wereld botsen
Iedere samenwerking kent zijn knelpunten. In het onderwijs is de breuklijn bij 18 jaar er één van belang. MBO-instellingen worstelen hiermee: zij zijn voor jongeren onder de 18 jaar volledig zorgplichtig, terwijl zij voor jongeren ouder dan 18 jaar een andere rol hebben. Jongeren van 18 jaar en ouder zijn eerder klanten, die tevreden en gemotiveerd moeten blijven binnen het onderwijs om ook hun opleiding daadwerkelijk af te maken.
Ook binnen de WIJ krijgt men met deze breuklijn te maken. Het gaat om de splitsing van twee werelden: die van het samen verantwoordelijk zijn en zorg dragen voor jonge mensen uit preventief oogpunt en die van het curatief handelen, wanneer jongeren volwassen zijn.
De praktijk is dat jongeren lang niet allemaal volwassen zijn bij 18 jaar. De één doet er veel langer over dan de ander om stabiel aan zijn eigen ontwikkeling te werken en eigen doelen te kunnen stellen. Dit is voor alle betrokken partijen een belangrijk punt: 100% van de jongeren goed begeleiden naar volwassenheid, betekent dat je ook jongeren benadert die ouder zijn dan 18 jaar en begeleiding en hulp nodig hebben en niet afwacht tot zij zichzelf melden. Een jongere buiten de boot laten vallen is een gemiste kans en leidt tot permanente uitval!
De oplossing: het is pas klaar als het klaar is
Proefondervindelijk is bekend dat jongeren waarvan partijen met trots kunnen vertellen dat zij goed zijn uitgestroomd, niet zelden na één jaar weer uitvallen. Goede nazorg is daarom van belang om daadwerkelijk vast te kunnen stellen of een jongere weer op het goede spoor zit. Pas na 3, 4 of 5 jaar kun je vaststellen of de interventie van de samenwerkende partijen afdoende is geweest en of de jongere zijn werk heeft behouden of op een andere wijze stabiel is en aan zijn ontwikkeling werkt.
Kern van zijn boodschap is dat preventie van belang is, maar dat het werk pas klaar is als het klaar is. Iedere jongere volgt zijn eigen weg. De ene jongere doet er langer over dan de andere om werk vast te kunnen houden en stabiel zijn eigen weg te vervolgen. In de praktijk hebben gemeenten en betrokken partners er veel moeite mee om preventief en curatief te handelen en om zo 100% van de jongeren goed te begeleiden.
Wees zowel preventief als curatief en zet voldoende nazorg in. Voer niet als partners allemaal een deel van het werk uit, maar zorg voor aansluiting. Wacht niet totdat een jongere uit is gevallen van school, maar zet de zorg en ‘een werkleeraanbod’ juist daar in! Zorg er met elkaar voor dat het bereiken van stabiliteit en het vasthouden van werk of scholing door jongeren geen onhaalbare zaak wordt.
Tot slot stelt Ton: een jongere is veel meer dan zijn of haar probleem. Er zijn altijd zaken waar hij of zij wel goed in is. Soms is ook de omgeving van de jongere het probleem. Het gaat om een samenspel van factoren. Er op tijd bij zijn, middelen slim inzetten en goed samenspel tussen partijen is waar het om gaat.
Nazorg is ‘hoofdwas’!
Peter Paul Doodkorte, volgens de door Ton Eimers gehanteerde definitie van voortijdig schoolverlaters zelf een ‘opstapper’, heeft een langdurige praktijkervaring als directeur van een multifunctionele jeugdzorgorganisatie en als senior-adviseur. Hij was betrokken bij aansprekende voorbeeldprojecten voor deze doelgroep als ‘ Anpakk’n’ (Netwerkstad Twente) en Plan+ (provincie Overijssel). Hij verrichtte niet alleen veel onderzoek, maar was ook in de uitvoering betrokken bij projecten rondom risicojongeren.
Geïnspireerd door het verhaal van Ton drong Peter Paul aan op een veel minder probleemgeoriënteerde aanpak. Alle jeugdigen hebben, uiteindelijk, een en dezelfde ‘ droom’ : huisje, boompje, beestje (en een snelle auto, rood of zwart). Dit vraagt om een omslag in denken en doen, waarbij het te bereiken resultaat vertrekpunt is voor de gewenste acties.
Zijn stelling: er is een oplossing voor veel problemen: opgroeien en meedoen, dit onderbouwde hij met een aansprekend praktijkverhaal van een ‘gewone jongen’, die niet meer naar school wilde en vervolgens van de ene foute stap in de andere verviel. Ondanks een herhaald aanbod van zorg, krijgt hij nooit de zorg die hij nodig heeft. Er volgt een opeenstapeling van misverstanden onder hulpverleners en in de omgeving van de jongen. Van op straat rondhangen vervalt hij in drugs dealen, van drugs dealen in ‘de hoer spelen’, van ‘de hoer spelen’ in drugsgebruik en alcoholisme. Er komt geen eind aan lijkt het.
Een extreem voorbeeld? Wellicht, maar wel waar gebeurd en een typisch voorbeeld van hoe het fout kan lopen wanneer hulpverleners niet samenwerken. De lessen van dit verhaal zijn er vele. Maar de voornaamste is dat er uiteindelijk iemand was die deed wat andere nalieten: de jongere aanspreken op zijn eigen verantwoordelijkheid en doorpakken!
In zijn voor de aanwezigen bekende presentatie stond Peter Paul stil bij twee hoofdvragen
• Waar willen we naar toe?
• Wat willen we bereiken...?
Daarbij constateerde hij dat ondersteuning bij opgroeien en meedoen sterk versnipperd is:
1. Financieringsstromen zijn regulerend – en niet zelden elkaar uitsluitend – in plaats van faciliterend;
2. Procedures en protocollen in plaats van vertrouwen op professionaliteit bepalen het tempo van aanpakken en doen;
3. De toegangscontrole (indicatiestelling op basis van aanspraken) weegt zwaarder dan de snelle door- en toeleiding naar geëigende ondersteuning, is individu- in plaats van systeem- of omgevingsgericht. De focus lijkt daarbij meer te liggen op het wegnemen van de gevolgen in plaats van de oorzaken van een probleem.
4. Sturing is productie- (omvang en capaciteit) in plaats van resultaatgericht (effect van de ondersteuning).
Hij constateerde: waar maatwerk wordt gepredikt en gevraagd, wordt confectie geleverd! Bij het maken van het plan is de instelling of doelstelling van het stelsel leidend en ligt het primaat bij de behandeling.
Het antwoord dat jongeren vragen, vraagt om het centraal stellen van de jeugdige in plaats van de stelsels en de organisaties. Anders gezegd: de stelsels dienen zich te voegen naar de beoogde oplossing resp. het gewenste resultaat. Hiervoor introduceerde hij het ‘klavertje vier’ model: ‘Eén jeugdige/gezin, één plan, één aanspreekpunt en één budget’. Dit vraagt enerzijds om afstemming tussen de verschillende financiers en domeinen en anderzijds om het leidend maken van het klantperspectief bij het maken van het plan.
Veel aandacht gaf Peter Paul ook aan het goedbedoelde taalgebruik: de term startkwalificatie is goedbedoeld, maar zou eigenlijk de term ‘perspectiefkwalificatie’ moeten zijn: het is mooi als je fris en fruitig aan de startstreep komt, maar als je het einddoel (meedoen) niet bereikt, heb je daar weinig aan. In dit verband meent hij ook dat het begrip ‘ nazorg’ een andere waardering vraagt. Want waar uitvoerenden niet zelden de behandeling als het hoofddoel beschouwen, is naar zijn mening de ‘ behandeling’ niet meer of minder dan de (noodzakelijke) ‘ voorwas’. Wat wij nu als ‘nazorg’ definiëren is feitelijk de hoofdwas. Pas als de jongere daar terecht komt waar nodig, dan pas is het zorgtraject geslaagd. Of, zoals Ton het zei: het werk is pas klaar, als het klaar is.
Een en ander vergt van partijen dat zij veel meer gaan denken vanuit het te bereiken doel, ‘perspectiefdenken’, in plaats vanuit het hier en nu en de eigen taak.
Omdat het doel het waard is
Wat betreft de kosten van samenwerking: bedenk van tevoren hoeveel geld een jongere die goed terecht komt je waard is en zet dat in om het gewenste doel te bereiken. Goed voorbeeld is het 1000-jongerenplan in Overijssel: werkgevers krijgen hier per jongere 10.000 euro aangeboden om de jongere de noodzakelijke ondersteuning te geven om aan het werk te blijven. Er geldt maar één voorwaarde: de jongere krijgt een vast contract. Het gaat er niet om hoe men de jongere aan het werk houdt, maar dát men de jongere aan het werk houdt. Alle benodigde ondersteuning kan – zonder restrictie – met het genoemde bedrag worden ingezet.
Lessen uit de jeugdzorg: het persoonsvolgend budget
In de jeugdzorg is al lange tijd een trend zichtbaar om de lijnen korter te maken en een betere samenwerking voor elkaar te krijgen. Probleem is dat er binnen de jeugdzorg met veel verschillende instellingen eenzelfde doel wordt nagestreefd. Iedere instelling voert een eigen taak uit, kent eigen regels en beperkingen en heeft een eigen budget. In de praktijk werkt dit belemmerend. Iedere partij richt zich op een eigen doelgroep en kent om die reden ook uitsluitingscriteria: niet alle jongeren worden om die reden afdoende begeleid.
Voor een integrale aanpak is wel wat nodig. In de netwerkstad Twente heeft men dit met het voorbeeldproject “ Anpakk’n” gerealiseerd. Het project ‘Anpakk’n’, voorheen Multi Problem Single Approach (MPSA), is een initiatief van de provincie Overijssel en de gemeenten van Netwerkstad Twente. Het project richt zich op de aanpak van jongeren met zware meervoudige problematiek. Het doel van het project is deze jongeren weer naar school of aan het werk te krijgen en zo nodig een hulpverleningstraject te laten volgen. Rond deze jongeren is sprake van een veelheid aan zorgverleners, afkomstig uit verschillende leefdomeinen. Zij verlenen, gevraagd en ongevraagd, verschillende diensten, maar weten van elkaar onvoldoende dát ze dit doen en wát ze doen. Deze fragmentarische aanpak wordt bovendien bevorderd door het doelgroep- en beroepsgestuurde systeem (indicatiestelsel, subsidieregels en uitsluitingscriteria). Jongeren met zware meervoudige problematiek hebben zo, vrijwillig of gedwongen, met meerdere instanties van doen. Er ontbreekt daarbij een verantwoordelijke voor het geheel. Om de bovenstaande knelpunten op te lossen en daarmee de hulpverlening aan deze jongeren optimaal in te richten, is in samenspraak met de landelijke, provinciale, regionale en lokale overheden het project ‘Anpakk’n’ gestart, gericht op een aanpak die niet versnipperd is en recht doet aan het integrale karakter van het probleem. Gebruikmakend van bestaande structuren en instanties realiseert Anpakk’n een werkwijze, waarbij het principe ’één cliënt, één dossier, één coördinator, één handelingsplan en één financiering’ leidend is. Per gemeente functioneert een multidisciplinair samengesteld team, waarin alle leefdomeinen zijn vertegenwoordigd. Dit team voorziet in bindende besluitvorming ten aanzien van indicatie en noodzakelijke interventies.
De belangrijke les uit de jeugdzorg is dat een sluitende zorg beter, efficiënter en goedkoper is.
Kindgebonden aanpak is symptoombestrijding
Jongeren en kinderen die een probleem hebben en die geholpen worden in de jeugdzorg hebben vaak niet zelf het probleem: zij vertonen gedrag dat in 70% tot 80% van de gevallen het gevolg is van een verstoorde omgeving, van ouders die een probleem hebben. In die zin is de nieuwe ‘kindgebonden aanpak’ symptoombestrijding.
In feite gaat iedere regeling die betrekking heeft op jongeren en ouders over ‘meedoen’. Er zou feitelijk een overkoepelend beleid moeten komen dat het onderwijsbeleid, het jeugdbeleid, het participatiebeleid en het sociale zekerheidsbeleid overstijgt.
Perspectief bieden om als jongere of als ouder mee te kunnen doen is waar het om gaat. In plaats van een startkwalificatie zou men beter kunnen spreken over een ‘perspectiefkwalificatie’ waarmee men in staat is zinvol te participeren. Voor veel, zo niet voor allen, hangt hier het plaatje van het ultieme wens van het te bereiken ‘huisje-boompje-beestje’ aan vast.
De versnippering voorbij: benut de eigen kracht van jongeren
De versnippering in het onderwijs en in de jeugdzorg is in feite een spiegel van het overheidshandelen. Deze is in de beleidsvoorbereiding en beleidsregeling zelf uitermate versnipperd. Samenhangende regelingen worden niet samengevoegd, maar – vanuit afzonderlijke beleidsvelden en domeinen – aangevuld en gestapeld. Overkoepelend beleid ontbreekt vaak en de uitvoering raakt mede daardoor versnipperd.
Het zou passend zijn om de jeugdzorg en de regelgeving rondom passend onderwijs in één overkoepelende wet onder te brengen, een soort van ‘wet op de participatie – opgroeien en meedoen’. Daarbij dient de ondersteuning en zorg letterlijk een stap voorwaarts te maken: jongeren met problemen moet je niet uit hun systeem halen, maar de noodzakelijke ondersteuning moet je aan het systeem toevoegen. En vertrekpunt moet steeds de eigen kracht van de jongere en zijn systeem zelf zijn. Dit eigen kracht denken leidt tot vele nieuwe, niet zelden effectievere en goedkopere oplossingen.
Dit geldt ook voor de WIJ: jongeren kunnen veel zelf. Laat ze zelf meebeslissen over wat er nodig is en begeleidt hem of haar met dat einddoel voor ogen. Daarbij zijn er vele wegen te bewandelen om dat doel te bereiken.
Een echt sluitende aanpak is geen ‘opsluitende aanpak’
Een vertegenwoordiger van CNV Jong stipuleerde deze laatste oproep van Peter Paul: ‘eindelijk iemand die ook de jongere zelf aanspreekt. Soms bekruipt mij het gevoel dat met een sluitende aanpak feitelijk een voor jongeren ‘opsluitende aanpak’ wordt nagestreefd. Partijen maken afspraken met elkaar over waar het met de jongere naar toe moet en wie welke taak daarbij heeft. Nooit wordt gesproken over de positie van de jongere zelf in het geheel.’
Peter Paul benadrukt dat het teruggeven van regie aan jongeren zelf van belang is. Jongeren kunnen veel zelf, ook al hebben ze soms een probleem. Het versterken van hun eigen kracht is van belang om mee te kunnen doen in de samenleving.
Nog vaak staat een taboe op uitwisseling van gegevens tussen betrokken partijen en hulpverleners het voeren van ‘eigen regie’ door de jongere zelf in de weg. De oplossing: geef het dossier aan de jongere zelf en vraag als overheid, wanneer de jongere een beroep op je doet, om inzage. Spreek verder af dat de uitspraken van professionals in het dossier niet door de jongere gewijzigd kunnen worden, maar gun de jongere de mogelijkheid om er iets bij te zetten als hij of zij een andere mening heeft.
Conclusies en vervolg
De aanwezigen gaven in hun reacties aan het debat waardevol en inspirerend te hebben gevonden. Duidelijk werd ook dat er veel parallellen te trekken zijn tussen ontwikkelingen in de zorg en het onderwijs en de ontwikkeling die nodig is om de WIJ goed gestalte te kunnen geven. Eigen regie van jongeren en een goede balans tussen preventie, curatief handelen en voldoende nazorg zijn van belang. De aankomende bezuinigingen zijn in dit verband niet alleen als een bedreiging, maar zeker ook als een kans te beschouwen.
Een sluitende aanpak is efficiënter en goedkoper betuigen ook de sprekers. Sleutels voor succes daarbij zijn in de lezingen benoemd. Een en ander vergt veel van gemeenten en overige betrokken partijen. Een helder doel voor ogen en een duidelijke budgettoekenning per jongere zijn van belang om dit als partijen waar te kunnen maken.
Vervolg Divosa
Divosa organiseert een groot jongerencongres op 19 mei aanstaande. De beide bijeenkomsten rondom de WIJ, georganiseerd in samenwerking met BMC, zijn voor Divosa een voorbereiding op het debat dat hier zal plaatsvinden.
Wilt u meer informatie?
Bel 033 - 496 52 00
of mail naar info@bmc.nl
Klik hier voor het contactformulier